Beschrijving ringweg

(0 km) Keflavikurflugvöllur heet het vliegveld. Er is een postkantoor waar je girobetaalkaarten kunt verzilveren. De weg voert langs de barakken van de Amerikaanse luchtmachtbasis, waar het vliegveld een onderdeel van is. (De aanwezigheid van maar liefst 5000 Amerikanen is veel IJslanders een doorn in het oog. Maar de Amerikanen raken dit strategische plekje niet graag kwijt, en sparen kosten nog moeite om te blijven). De weg komt vanzelf uit op de betonplaten-weg nr.41 naar Reykjavik. Je laat het stadje Keflavik 5 km links liggen. Boodschappen doen kan dus pas in Reykjavik.

De weg voert door een oud lavaveld. Het wegdek is behoorlijk, alleen tussen de betonplaten zit nogal eens een flinke hobbel. Je bent echt meteen in IJsland: een kale vlakte en in de verte een paar kegelvormige bergen, van tegen de 400m hoog. De weg is echter vlak. Door de heldere lucht en het open landschap kun je heel ver kijken. Je merkt al gauw hoe bedrieglijk de afstanden kunnen lijken, want van grote afstand zie je

(32 km) Straumsvik liggen, een aluminiumfabriek met rood-witte schoorstenen. Hij komt steeds maar niet dichterbij! IJsland importeert aluminiumerts, smelt dat in deze fabriek (energie is het enige wat IJsland in ruime mate in de grond heeft zitten), en exporteert het aluminium vervolgens weer.

(37 km) Hafnarfjörður, een voorstad van Reykjavik, ligt op een gemeen heuveltje.

(40 km) Garðabær.

(42 km) Kópavogur. De weg krijgt hier even autosnelweg-allures. Een ingewikkeld verkeersknooppunt neemt bijna de hele breedte van het stadje in beslag.

(43 km) Je rijd nu Reykjavik binnen. Het is nu nog zo'n vier kilometer naar jeugdherberg of camping. Voor de camping rijd je rechtdoor over de Krynglumyrarbraut, naar de jeugdherberg en het centrum buig je naar links af over de Reykjanesbraut. De jeugdherberg bereik je als volgt: na 1,5 km komt de Reykjanesbraut uit op een plein. Linksaf de Hringbraut op. Na 400m de eerste weg schuin rechts de heuvel op is de Laufásvegur. Na 400m is nr.41 aan de rechterkant de "Farfuglaheimilið".

De camping bereik je door over de Krynglumyrarbraut 2,5 km rechtdoor te rijden. Vlak voordat je de zee bereikt rechtsaf, de Sundlaugavegur. Na 800m ligt rechts het zwembad en daarnaast de camping. De camping heeft geen douches e.d., maar het zwembad maakt veel goed: douches en warme bubbelbaden. Aan de Hringbraut ligt, tegenover de plaats waar de Laufasvegur afsplitst, het busstation. Je kunt hier terecht voor allerlei nuttige folders (dienstregeling bus, campingfolder, JH-gids, plattegrond Reykjavik). In Reykjavik is de enige fietsenwinkel in IJsland. Op loopafstand (!) van de jeugdherberg: ga bij de JH rechtsaf (Baldursgata), eerste weg links (Bergstaðastræti), derde straat links (Spitalasting), nr.8 "Orinnin Reiðhjólabuð". In deze buurt zijn ook andere winkels en, voor wie diep in de buidel wil tasten, eetgelegenheden. Het eigenlijke centrum wordt gevormd door de Hafnarstræti en de Austurstræti. Op het pleintje aan de oostkant hiervan staat een torenvormige kiosk van de VVV. Ook hier kun je allerlei folders krijgen. Leuk is de folder "Hítaveita Reykjavíkur" over de warmwatervoorziening van de stad.

Er is heel wat bezienswaardigs in Reykjavik. Musea zijn misschien leuker op de terugweg, als je de dingen wat beter kunt plaatsen. De moeite waard zijn zeker:

Je kunt de stad weer verlaten door de Miklabraut (of vanaf de camping: de Kleppsvegur langs de kust) helemaal af te rijden tot het klaverblad. Nog 1km verder begint (47 km) de ringweg nr.1.

Dat dit een ringweg is, blijkt uit het verkeersbord: Egilsstaðir linksaf 704km (via Akureyri), rechtsaf 710km (via Vík). Hoewel deze routebeschrijving de route "om de zuid" (via Vík) volgt, gaan we linksaf, om eerst langs þingvellir en Geysir te gaan.

(57 km) Na 10km over het drukste stukje weg van IJsland gaan we rechtsaf weg nr.36 in. Meteen een weldadige rust: vrijwel geen verkeer. Eerst staan er nog wat verspreide huizen en kassen (hier komt niet aleen het warme water voor Reykjavik vandaan, men verwarmt er ook ter plaatse kassen mee). Verderop zie je alleen nog maar schapen in een leeg landschap. Links en rechts bergen als olifantenruggen. Over 14km stijgt de weg circa 300 meter.

(71 km) Op de top van de heuvel Mosfellsheiði ligt het (bijna droge) meertje Leirvogsvatn (vatn=water). Hier eindigt het asfalt en rijden we voor het eerst op een steenslagweg.

(81 km) Tijdens de afdaling splitst zich rechts weg nr.360 af.

(87 km) 1 km nadat links van de weg de eerste boerderij is gesignaleerd, staat er naar rechts een onduidelijke wegwijzer naar de Almannagjá. Na 500m over dit zijweggetje eindigt de weg (voor auto's althans) op een parkeerplaats. Hoewel het land er hier vlak uitziet, gaapt er ineens een tientallen meters diepe kloof voor je voeten. "Gjá" is IJslands voor "kloof"; "almanna" wil zeggen dat alle mannen hier jaarlijks plachten samen te komen voor de volksvergadering. Duizend jaar geleden gebeurde dit al; daarom zegt men wel dat IJsland de oudste (ononderbroken) demokratie van Europa is. Vanaf een rots boven de kloof, de Lögberg, werden jaarlijks de wetten voorgedragen. Door de akoestiek in de kloof kon iedereen die horen (maar de wetspreker zal toch wel een gezond stel longen gehad moeten hebben).

De kloof ligt op de vulkanische breuklijn die door heel IJsland loopt. Langzaam bewegen zich hier de twee schollen, waarop Europa en Amerika liggen uit elkaar. Je staat hier dus in feite op de grens van Europa en Amerika. Door de kloof loopt een voetpaadje naar beneden (fiets kan aan de hand mee). (89 km) þingvellir heet dit gebied (en nationale park), omdat op deze vlaktes (vellir) de leden van de volksvertegenwoordiging (alþing) jaarlijks kampeerden.

(93 km) Door de weg langs de kloof vier kilometer naar het noorden te volgen kom je bij een (kleine) winkel en café. Als je de afslag naar Almannagjá gemist hebt, kom je hier vanzelf langs (op de splitsing met weg nr.52). Omdat dit een nationaal park is, mag je niet zomaar overal kamperen. Op het weggetje langs de kloof zijn een paar (overigens fraai gelegen) plaatsen aangegeven waar je wel kunt kamperen.

Verder over weg nr.36 of nog even terug naar (96 km) het kerkje bij de kloof. Langs het grote meer þingvallavatn (84 km˛!), door een met berkenboompjes begroeid gebied, kan je dan terug naar (104 km) weg nr.36.

Je zou nu weg nr.36 kunnen volgen naar de ringweg bij Selfoss. Wie echter "IJsland" zegt, zegt "Geysir", dus daar gaan we eerst nog maar even heen. We nemen daarom weg nr.365 over de Gjábakkahraun (hraun=lavaveld).

Een weg met een drie-cijferig nummer is nogal slecht: hier wreken zich slechte banden. Bij regenachtig weer is deze weg niet aan te bevelen (modder). Om deze weg te bereiken moet je even linksaf (als je over de weg langs het meer bent gekomen).

De weg is niet alleen slecht, maar gaat ook over 7km nog eens 250m omhoog naar de Barmaskarð (skarð=pas). Het landschap is wel weer lekker woest.

Na de pas is het meeste leed geleden. Er volgt een stukje gevaarlijk steile afdaling, en daarna daalt de weg langzaam verder over de Laugarvatnsvellir naar

(119 km) Laugarvatn. Een dorpje dat voornamelijk uit scholen bestaat. Supermarkt en Edda-hotel aanwezig. De weg nr.37 naar Geysir is vlak, en niet erg opwindend. Ik herinner mij alleen nog maar een sterke tegenwind, waardoor de 33km naar Geysir ons 3.5 uur kostte.

Al vanaf grote afstand zie je in de verte af en toe een soort rookpluim. Dichterbij gekomen blijkt dat geen rook te zijn, maar water. Elke tien minuten spuit de fontein van

(152 km) Geysir hier omhoog. Kokend water wordt 20 tot 30 meter de lucht ingeslingerd, zeer indrukwekkend. Vroeger was er ook een Stóru Geysir (grote geyser), die 60 meter hoog spoot. Deze werkt echter zelden meer; hij is kapotgemaakt doordat men teveel zeepsop in de poel had gegooid (dat stimuleerde hem namelijk zo aardig). Nu is er dus alleen nog maar de kleine geysir, Strokkur genaamd. Bij het terrein staan een benzinepomp met café en een groot hotel. Het kamperen op het weinig bijzondere weitje hier tussenin zal inmiddels ook wel officiëel (en betaald) geworden zijn.

Wie daar nog zin in heeft, kan nog 9km doorfietsen naar Gullfoss ("gouden waterval"). Dit stukje weg is grotendeels geasfalteerd. De rivier de Hvitá stort zich twee étappes over een grote breedte 32m in de diepte. Voetpaden ontsluiten het gebied. (De weg gaat als "Fjallvegur" nr.F37 door naar de ringweg in het noorden, 200km door onbewoond gebied.)

We moeten nu weer helemaal terug naar de ringweg, want je kunt de grote rivier de þjorsá maar op twee plaatsen oversteken. Je kan kiezen uit weg nr.30 of nr.35/31/30. Weg nr.30 splitst halverwege Geysir en Gullfoss rechtsaf, en komt door het dorpje Flúðir (zie elders). Weg nr.35/31/30 wordt hierna beschreven.

Vanaf (152 km) Geysir eerst 6km terug naar het zuiden. (158 km) Weg nr.35 buigt hier linksaf (richting Selfoss), en volgt het dal van de Tongufljót. Na 21 km moet je niet de rivier de Bruárá oversteken, maar linksaf op weg nr.31. Je komt dan langs

(181 km) Skálholt, een kerkje dat vroeger de bisschopszetel was. Enkele kilometers verder ligt het (groeiende) nieuwe dorp, met supermarkt. Een brug voert over de rivier de Hvitá. De weg komt uit op (195 km) weg nr.30, waar het asfalt weer begint. Steeds langzaam dalend door het dal van de þjorsá komt deze weg uit op (212 km) de ringweg, waar we linksaf gaan.

(214 km) Brug over de þjorsá, de langste rivier van IJsland (230km lang), afkomstig van de Hofsjökull.

(234 km) Hella, een wat groter stadje met maar liefst 800 inwoners. Links zie je aan de horizon de vulkaan de Hekla (die in 1980 nog is uitgebarsten).

(248 km) Hvolsvöllur, ook een stadje met supermarkt. Bovendien een camping; inlichtingen bij het hotel. Koop hier zonodig nog wat eten, want tot Vík (90 km verder) komen er geen winkels meer. Tussen de rivieren þverá en Markarfljót ligt een uitgestrekte grindvlakte. Hier en daar graast een schaap van het karige gras tussen de stenen. Een wijds uitzicht. In de verte doemt de gletscher de Eyjafjallajökull op. Rechts aan de horizon draaien de Vestmannaeyjar voorbij: rotseilandjes voor de kust. In 1973 brak op het grootste eiland Heimaey een vulkaan uit. Niet de reeds bestaande vulkaan Helgafell, maar een nieuwe krater (die erg origineel "Eldfell" (vuurberg) genoemd werd).

Het halve eiland, inclusief het stadje, werd bedekt met een asregen. De 5000 inwoners werden in één nacht geëvacueerd. Bijna leek de haven met lava dicht te stromen, wat natuurlijk een ramp voor de vrijwel geheel uit vissers bestaande bevolking, en de IJslandse economie zou zijn geweest (20% van IJslands visvangst komt uit de Vestmannaeyjar). In 1963 was er al een heel nieuw eiland ontstaan door een onderzeese vulkaanuitbarsting (Surtsey). Op dit eiland kon men goed onderzoeken hoe een levenloos eiland langzaam wordt bevolkt door planten en dieren.

Tot Skógar ligt de weg op zeenivo en is vlak. Je rijdt aan de voet van een rij steile bergen van 600 meter hoog. Zo te zien valt daar nog wel eens een rotsblok vanaf.

(304 km) In Skógar is een 60 meter hoge waterval, een van de hoogste in IJsland. Om hem goed te bekijken kun je het beste het weggetje links, vlak na de brug over de Skógá inrijden. Als je het donderend geraas de hele nacht wilt horen: er ligt een fraai gelegen camping aan de voet van de waterval. Rechts van de waterval loopt een steil voetpaadje omhoog. Met een kwartiertje lopen kun je ook eens een blik op het achterland werpen: boven de waterval gaat de rivier nog met allerlei kleine stroomversnellingen verder. Bovendien heb je vanaf deze hoogte een mooi uitzicht over de vlakte en de weg die je gaat fietsen. Het gehucht Skógar bestaat verder voornamelijk uit een Edda-hotel en een museum. De zeer enthousiaste conservator legt graag en leuk uit wat hij hier zoal verzameld heeft (tot en met een antieke reddingboot toe).

Na Skógar kom je door de eerste "sanður" (zandvlakte). Een woestijn van zwart vulkaanstof. Door de Skógasanður loopt een grote, naar zwavel stinkende rivier, afkomstig van de Myrdalsjökull.

Bij de (220 km) afsplitsing van weg nr.218 is het afgelopen met de vlakke weg: met een steile helling beklim je de 200 meter hoge Reynisfjall. Links een mooi uitzicht op de Myrdalsjökull. Na een stukje hoogvlakte volgt een afdaling met haarspeldbochten naar

(336 km) Vík, een stadje voorzien van 400 inwoners, een winkel en een camping. De camping is tamelijk druk, maar ligt grappig aan de voet van een verticale, geplooide rotswand. De drie vreemdgevormde rotsen die uit zee oprijzen (handelsmerk van Vik, en ook afgebeeld op het campingbonnetje) kun je zien vanaf het kerkje (of door een heel eind richting zee te lopen).

Na Vík rijd je door een uitgestrekte zandvlakte, de Myrdalssandur. Een woestijn van zwart gruis zover het oog rijkt, en in de verte een bergketen. Als er geen auto aankomt kan het hier zó stil zijn dat je oren ervan suizen. Je moet ervan houden, maar ik vind dit landschap beslist niet saai. De weg bestaat overigens ook uit gruis, min of meer aangestampt. Na een regenbui kan dit moeilijk begaanbaar zijn. Ook als de weg is "aangeharkt" (om kuilen en wasbord tegen te gaan) is hij twee dagen lang moeilijk te befietsen. Vanaf de brug bij Herjólfsstaðir is er echter zowaar asfalt.

De Myrdalssandur is ontstaan door grote overstromingen. Onder de ijskap van de Myrdalsjökull ligt een vulkaan, de Katla. Als deze uitbarst, en dat gebeurt zo eens in de zeventig jaar, smelt er plotseling veel ijs. Er ontstaat dan een springvloed van water, ijs en gruis (een "jökullhlaup") die alles op zijn baan wegveegt. De oudst bekende vloed was in 894, en de meest recente in 1918. De "Iceland road guide" meldt een saga over de uitbarsting van 1310, de zogenaamde Sturluhlaup. Iedereen in het gebied verdronk behalve een zekere Sturla, die met een baby op een ijsberg wist te springen, naar zee dreef en later weer aanspoelde.

(389 km) Hrífunes is een benzinepomp met een café. De camping die op de kaart staat heb ik niet kunnen ontdekken.

(395 km) Na de brug over de Tungufljót splitst linksaf weg nr.208 af. Dit is het begin van bergweg nr.F22 naar Landmannalaugar.

De volgende 25km rijd je door de Nyja Eldhraun ("nieuwe vuurlava"). Zo nieuw is de lava nu ook weer niet, want ze is afkomstig van een uitbarsting in 1783. De lava is nu dan ook met mos begroeid. De lava is afkomstig uit de 25km brede spleetvulkaan Lakagígar in het noorden. Genoemde uitbarsting was de grootste ter wereld in de geschiedschrijving. De hongersnood die erop volgde kostte 9000 mensen het leven, de grootste aanslag op de bevolking in de IJslandse geschiedenis. (Ook deze anekdote is afkomstig uit de "Iceland road guide").

(419 km) Kirkjubæjarklaustur is blijkbaar begonnen als een kerkje, een boerderij en een klooster. Het klooster bestond van 1186 tot aan de reformatie. Inmiddels is het uitgegroeid tot een dorpje, compleet met supermarkt en Edda-hotel. Direkt na de brug over de Skaftá voert weg nr.205 links naar het dorpje (1km). Weg nr.203 rechtdoor leidt naar de fraai gelegen camping (ook 1km).

De lava van de Brunahraun, hoewel ook afkomstig van de Lakagígar-uitbarsting van 1783, is heel anders van karakter. Ze is bedekt met een dik, groen mostapijt. Als je er op loopt (wat moeilijk is, want de avablokken zijn wankel en grillig gevormd), zak je wel 5cm in het mos weg.

Langzaamaan komt de markante wand van de 668m hoge Lómagnúpur in zicht. Drie kilometer voordat je om de berg heen buigt ligt links van de weg

(452 km) Núpsstaður, een 17e eeuws kapelletje met een met turf bedekt dak.

Na de bocht om de Lómagnúpur opent zich de blik op de Skeiðarársandur. Dit stuk weg was tot 1974 de ontbrekende schakel in de ringweg. De vele armen van de Skeidará verleggen zo vaak hun loop, dat er vele zeer lange bruggen nodig zijn. Deze zandwoestijn wordt geteisterd door "jökullhlaups" afkomstig van de Skeiðarárjökull. Links zie je deze gigantische gletschertong. Een blik op de kaart leert dat dit nog slechts een uitloper is van de veel grotere Vatnajökull, die je nooit in zijn geheel te zien krijgt.

De vlakte lijkt bedrieglijk klien, maar is toch 30km breed. De weg lijkt op een kale rots aan te sturen. Links daarvan ligt een gletschertongetje. Daar weer links van ligt een groen begroeide berg. Aan de voet daarvan ligt Skaftafell. Dáár weer links van ligt bovengenoemde Skeiðarárjökull. De vele bruggen hebben een houten wegdek (let op splinters en spijkerkoppen!), en zijn soms bijna een kilometer lang. Om de 100m is er een uitwijkplaats voor de (schaarse) auto's.

Aan het eind van de vlakte voert een zijweggetje naar

(489 km) Skaftafell, prachtig gelegen, en dan ook een nationaal park. Je bereikt al snel een camping met zowaar een warme douche, een goed voorziene winkel en een café. Skaftafell is een prachtig gebied om voettochten te maken. Op 100 meter hoogte waan je je al in een alpenwei. In ieder geval de moeite waard is een wandeling van een half uur naar de Svartifoss, een waterval over merkwaardige, zuilvormige basaltkolommen. Met wat meer tijd kun je doorlopen naar de Austurheiði, een hoogvlakte met allerlei bergbloemen, waar schapen in rondgrazen. Je hebt hier een nog mooier uitzicht op de Hvannadalshnúkur, de hoogste berg van IJsland (2119m). Ook kun je hier de Skaftafellsjökull, een van de uitlopers van de Vatnajökull, eens van bovenaf zien, en heb je een fraai overzicht over de delta van de Skeiðará.

De uitstapjes terzijde van de weg liggen voor het grijpen: bij Svinafell een waterval en bij Hof een turfkerkje (uit 1883). In

(512 km) Fagurhólsmyri onverwacht een supermarkt bij de benzinepomp (de laatste voor Höfn, 112km verder).

Intussen komen er steeds grotere gletschertongen over de bergrand heenkruipen. Twee tongen komen tot vlak bij de weg: de (526 km) Kviárjökull en de (534 km) Fjallsjökull. Vooral de tweede is mooi, omdat de gletscher uitmondt in een meertje: Breiðárlón. IJsblokken breken af en toe van de gletscher en drijven dan het meer rond. In tien minuten kun je vanaf de weg naar deze gletscher toelopen (niet erop! dat is gevaarlijk). Tussen al deze gletscherpracht ligt weer zo'n uitgestrekte zandvlakte: de Breiðamerkursandur. Dit traject is een van de meest overweldigende van de hele route. Over het volgende meertje, de (544 km) Jökulsárlon aan de voet van de Breiðamerkurjökull, is een grote hangbrug gespannen.

Ook zonder gletschers is het nog mooi in de streek (558-573 km) Suðursveit. Weitjes met IJslandse pony's, hier en daar een gehucht, en uitzicht op een soort Waddenzee. Plekken genoeg om wild te kamperen, alleen beschutting tegen de wind is misschien wat moeilijk te vinden.

De vallei (583-602 km) Myrar is een waar paradijs. Grazige weiden met wat schapen en maar liefst drie grote gletschers. Daar kan je uren naar kijken. Vele ideale kampeerplekjes. Soms een beetje drassig: de wei bij de monding van de Hornafjarðarfljót lijkt wel een soort uiterwaard.

(615 km) Met een Edda-hotel breekt de beschaving weer door. Asfalt zelfs.

(625 km) Höfn, aan een vier kilometer lange zijweg, is een echte stad: maar liefst 2000 inwoners. De uitspraak van deze plaatsnaam is overigens "hup". Maar vraag je een inwoner waar hij vandaan komt, dan prefereert hij of zij te zeggen "van de Hornafjord" ("Hornafirði").

Winkels te over natuurlijk, een camping en een jeugdherberg. En, wat belangrijker is: een zwembad. De IJslandse zwembaden maken het gebrek aan comfort op de campings weer goed. Het begint met een verplichte warme douche -- geen probleem natuurlijk. Behalve baantjes zwemmen kun je bovendien gaan zitten in een "bubbelbad" van 43 . Zo weekt het vuil van de afgelopen weken weer eens van je af!

Vanaf de camping kun je hem al zien liggen: een akelig steil weggetje. De

(636 km) Almannaskarð is slechts 160 meter hoog, maar dit hoogteverschil wordt in 1 kilometer overbrugd. 16% helling dus, en dat op steenslag. Wij hadden ook nog storm en regen tegen, en konden dus zelfs lopend nauwelijks vooruitkomen. Daarna een afdaling en een stuk vlak naar

(658 km) Stafafell, met jeugdherberg.

Het landschap begint grimmiger te worden. Na de kaap (678 km) Austurhorn loopt de weg hoog boven de klotsende golven, bovenlangs een paar steile kliffen. (weg nr.971 kun je maar beter niet als afsteker gebruiken (als je hem al kunt vinden), want deze klimt steil honderden meters omhoog).

Nu begint een frustrerend aspect van fietsen in Scandinavië: fietsen langs fjorden. Je kunt Djúpivogur al zien liggen, maar je moet eerst nog om twee fjorden heen. Langs de weg staan vaak houten stellages. Hierop wordt kabeljouw gedroogd, om daarna als stokvis te worden geëxporteerd.

(729 km) Djúpivogur is weer een flinke plaats, 2 km van de weg af. Winkels in het dorp, camping op de splitsing van de weg. Laatste winkels voor Egilsstaðir, 150km verder!

(772 km) Berunes ligt hemelsbreed maar 5 km verder; over de weg is het echter 40 km, vanwege een fjord. Direkt naast de weg beginnen de hellingen van hoge en steile bergen. De Búlandstindur, een piramidevormige berg links van de weg, is een van de hoogste bergen in oost-IJsland.

(800 km) Een Edda-hotel ligt enkele honderden meters in de richting van Breiðdalsvik, aan weg nr.96.

Bij (817 km) Höskuldsstaðir begint een steile en vooral zeer lange klim naar Breiðdalsheiði. Deze hoogvlakte is maar liefst 470 meter hoog. De top dient vaak als klimaat-scheiding tussen zuid- en noord-IJsland: als het aan de ene kant mooi weer is, is het slecht aan de andere kant. Afdaling met gevaarlijke haarspelden door een fraai landschap.

(876 km) Egilsstaðir heeft weer alle voorzieningen. Camping naast de uitgebreide supermarkt. De camping heeft zelfs een warme douche. Bovendien is er een zwembad in het dorp. Tegenover het zwembad is een winkel in allerlei, Verzlunin Skogar, die ook enkele fiets-onderdelen verkoopt. De goede man spreekt alleen IJslands en heeft niet veel onderdelen in voorraad. Hij kan echter telefonisch spullen in Reykjavik bestellen. In twee dagen worden de spullen dan overgevlogen. De prijs is dan natuurlijk wel het viervoudige van wat in Nederland gebruikelijk is.

Vanuit Egilsstaðir voert een 27 km lange weg over een 620m hoge pas naar Seyðisfjörður. Er rijdt ook een bus. Fraaie uitzichten onderweg; zelfs in de zomer vaak nog sneeuw. Seyðisfjörður, een stadje voorzien van zwembad en jeugdherberg, is de aankomst- en vertrekplaats van de boot naar Denemarken en Noorwegen.

Egilsstaðir is de laatste plaats waar je eten kunt kopen voor Myvatn, 175km verder.

Een 300m lange brug loopt over het meer Lögurinn. Na de brug links een 2e-hands boekhandel. De weg voert over een hoogvlakte met af en toe een steil klimmetje. Dan een afdaling naar de (901 km) brug over de Jökulsá á Brú, hoog boven een kloof. De rivier ziet er bruin uit, en voert dan ook per uur 120 ton (!) zand mee naar de zee.

De weg loopt nu, nauwelijks merkbaar stijgend, door een langgerekt dal. Af en toe een boerderij of een stal. Van de helling rechts komen vele beken gestroomd, dus drinkwater is geen probleem. Dat wordt het wel na

(932 km) Skjöldolfsstaðir. Hier begint een 300 meter lange klim naar de hoogvlakte Jökuldalsheiði. aan het eind van de klim is er aan de rechterkant een mooi grasveldje met stromend water. Dit is echt de laatste gelegenheid om je water bij te vullen in de komende 40km. De weg blijft op de hoogvlakte op en neer golven (iets meer op dan neer). De oranje hut is een noodhut. Het is niet echt de bedoeling dat je hier overnacht, maar als je overvallen wordt door slecht weer kan dat natuurlijk wel. Je passeert hoog boven een meertje, Sænautavatn.

Vroeger waren hier wel boerderijen, maar na de uitbarsting van de Askja in 1875 is iedereen vertrokken. Het landschap is een soort maanlandschap. Grote stenige vlaktes met af en toe een rotsachtige berg. Hier lopen zelfs geen schapen meer. De ringweg bereikt hier zijn hoogste punt: 700 meter. Er is nog een steil stukje (ca. 10%) voor nodig om de pas te bereiken: de Möðrudalsfjallgarður eystri. Daarna een afdaling van 100 meter, en een paar kilometer door een cirkelvormig, volkomen vlak terrein (Geitasandur). Het is een kaal, maar fascinerend landschap. Dan volgt nog 1km 10% klimmen naar de nog iets hogere Möðrudalsfjallgarður vestri. Vanaf de pas kijk je in de diepte naar het dal van Möðrudalur, dat nog altijd op 470 meter hoogte ligt.

Bij mooi weer heb je een fraai uitzicht op de Herðubreið, een 1682 meter hoge besneeuwde tafelberg in het zuidwesten. Vijf kilometer na de afdaling ligt

(976 km) Möðrudalur, een gehucht met een café. Het centrum voor het scheren van de schapen in een enorm gebied.

Tien kilometer na Möðrudalur heb je zowaar een pas beklommen: Vegaskarð. Het nu volgende traject daalt in principe iets af, maar veel merk je daar niet van. Elke kilometer moet je namelijk een heuveltje van 10 tot 50 meter beklimmen. Je kan twee of drie van die koepeltjes voor- en achteruit kijken. En dat gaat 30 km zo door.... Viðidalur is een verlaten boerderij. In

(1011 km) Grimsstaðir kun je alleen maar benzine kopen. Voor de zijweg nr.864 die hier afsplitst naar de Dettifoss en Asbyrgi.

De ringweg gaat met een mooie hangbrug over de Jökulsá á Fjöllum. Enkele kilometers verder voert naar links een "jeppavegur" (dat is IJslands voor jeep-weg). Deze 100 km lange weg voert langs de Herðubreið naar de vulkaan de Askja. Het is een echte binnenland-weg, dat wil zeggen een zeer slechte kwaliteit wegdek en rivieren doorwaden. Bovendien loopt de weg dood. Als je de Askja echt wilt zien, is een excursie-bus vanuit Reykjahlið misschien meer aan te bevelen.

De ringweg loopt nu over een deels met mos bedekt lavaveld uit 1875. Nog steeds heuveltjes, twee voor en twee achter.... Het einde van de vlakte kun je al van veraf zien aan de rookpluimen. Waar rechts de zijweg naar de Krafla loopt, ligt links de solfatara van

(1046 km) Námafjall. Dit is een vulkanisch aktief gebied; dezelfde zone die ook langs Geysir en þingvellir loopt. Pas op! Het water in de poeltjes is kokend warm. De grijze bodem kan een hele dunne korst zijn boven kokend water. Dat kan erge brandwonden geven, en vind hier maar eens een ziekenhuis. Lees dus eerst de waarschuwingsbordjes.

Stoom ontsnapt fluitend aan de aarde, uit zogenaamde fumarolen. In een kokende modderpoel bloebt pruttelend een modderfontein. De zwavel, kiezel en ijzer in de dampen slaat weer neer op de grond en maakt prachtige kleurschakeringen. Pure zwavel komt hier en daar aan de oppervlakte. Het werd afgegraven door Denemarken, dat het nodig had om buskruit te maken.

De zijweg naar de Krafla (buiten km-telling) is ook zeer de moeite waard. Na een lange dag fietsen heb je waarschijnlijk geen zin meer in dit soort uitstapjes. Het gebied is echter zo uniek, dat je een dagtochtje vanuit Reykjahlið kunt overwegen. Na 5km en 200m stijgen over deze weg kom je langs een geothermische elektriciteitscentrale (Kröfluvirkjun).

Sinds 1975 is dit gebied weer vulkanisch aktief geworden, waardoor het project enigzins omstreden is geworden (wie zet er nu zo'n dure fabriek in een aardbevingszone). De buizen geven het landschap iets science-fiction- achtigs. De weg loopt nog een paar kilometer door naar de Leirhnjúkur. Bij een parkeerplaatsje staat een bord "Hættusvædi: farid ekki in a þad (Hazard zone: do not enter)". Ik mag je natuurlijk niet aanraden deze waarschuwing van de reddingsdienst te negeren, maar veel mensen doen dat wel. Er loopt dan ook een voetpaadje naar het interessante gebied, waar nog grotere modderpoelen en zwavelvelden zijn dan beneden.

Hier zijn de gevaarlijke gebieden echter niet met touwtjes afgezet, zodat je zelf moet uitkijken niet door dunne korsten in het kokende water te trappen.

De vulkaan barst nog regelmatig uit (1980 en 1984). Er zijn dan ook verse, soms nog warme lavavelden te zien. Het is een gek gezicht: zandgrond met daarop een tong pikzwarte lava. De weg loopt nog een kilometer door naar een kratermeer: Víti. Vanaf de rand van deze in 1724 onstane explosiekrater heb je ook een mooi uitzicht op de tafelbergen in de omgeving.

Terug naar de ringweg. Er volgt nog één beproeving voor je de bewoonde wereld weer bereikt:

in een mooie slinger stijg je 150 meter met 12% naar de

(1048 km) Námaskarð. De rotsen op de pas zijn weer mooi rood en geel gekleurd. Na de pas kom je weer langs allerlei stoompijpen; ditmaal wordt de warmte eerst industrieel gebruikt: voor een elektriciteitscentrale van 2˝ Megawatt, en voor een diatomietfabriek. Diatomiet (kieselguhr) is een materiaal dat voor filters wordt gebruikt; grondstof is dode algen die vanuit het Myvatn worden opgepompd.

(1054 km) Reykjahlið, dorpje en toeristisch centrum; dat wil zeggen: supermarkt, twee campings en twee hotels. Myvatn (=muggenmeer, maar muggen zitten alleen vlakbij de oever) is een beschermd natuurgebied, vooral vanwege de vogels. Vijftien verschillende soorten eenden, naar het schijnt. Maar ook bloemen, bos (!) en mooie lavaformaties. De camping aan het meer ligt het mooiste. Als je Reykjahlið binnenkomt zie je hem links liggen, tegenover een supermarkt. Op de camping is een foldertje met meer informatie en een kaartje met voettochten verkrijgbaar.

Mooi is bijvoorbeeld een wandeling van Reykjahlið naar de warmwatergrot Stóragjá. Dan de gele paaltjes volgen naar de Hverfjall (een grote krater: 140 meter diep en 1300 meter diameter).

Vanaf de rand heb je een mooi uitzicht over het meer en de omgeving. Vervolgens een afdaling naar de Dimmuborgir: lavaformaties die er met enige fantasie inderdaad uitzien als duistere burchten. Nog 3 kilometer zuidelijker ligt Höfði, een park waar de lavablokken tot in het meer liggen. Over weg nr.848 kun je dan teruglopen naar Reykjahlið.

De weg loopt horizontaal langs het Myvatn, de Laxá (=zalmrivier) en het idyllische Másvatn. Dan volgt 150 meter afdaling naar

(1091 km) Laugar; winkel en café. Met een paar haarspeldbochten gaat de weg nu weer een heuvel op: Fljótsheiði, 200 meter klimmen. Tijdens de afdaling kan je in het volgende dal de Goðafoss al zien liggen.

(1104 km) Fosshóll; winkel en benzinepomp. Naast deze winkel begint een 1km lang karrespoor naar de Goðafoss. Een indrukwekkende waterval; niet zo hoog, maar des te breder. Volgens de saga zou boer þorgeir bij zijn bekering in het jaar 1000 zijn afgodsbeelden in deze waterval hebben gesmeten; vandaar de naam. Na de brug over de Skjálfandafljót kun je op een zijweg de waterval ook van de andere kant bekijken.

De weg stijgt nu langzaam naar het Ljósavatn, en dan nog 1km naar

(1113 km) Stóru Tjarnir, een losstaand Edda- hotel. Er volgt een afdaling naar het volgende dal, dat van de Fnjóská. Je kan nu kiezen uit twee wegen: 20 km òm, rechtsaf over weg nr.835 via Dalsmynni, of 400 meter klimmen over de Vaðlaheiði. In het laatste geval moet je na de brug over de Fnjóská even linksaf over weg nr.833. Binnen een kilometer splitst zich in een gehucht rechtsaf dan weer de weg naar Akureyri af. Dat kan niet missen: je ziet de eerste zeven haarspeldbochten boven elkaar al liggen. Na deze haarspeldbochten ben je er nog niet: er volgt nog 2 kilometer recht de heuvel op.

(1131 km) Steinsskarð heet de pas, met 520 meter het hoogste punt van de weg over de Vaðlaheiði. Een pas is het nauwelijks te noemen: je rijd zowat over de top van de heuvel. De volledige hoogte heb je nu tegoed: Akureyri ligt natuurlijk op zeenivo. Tijdens de afdaling zie je aan de overkant van de fjord de stad al liggen. Je moet nog wel even de fjord rond fietsen.

(1154 km) Akureyri is een echte stad. Met 15000 inwoners de tweede stad na Reykjavik. Vanzelfsprekend zijn hier alle soorten winkels. Het centrum is bijna chic te noemen, en dat is wel even wennen na 1100 km leeg landschap. Er is een camping: volg de weg steil omhoog langs de kathedraal; linksaf (þorunnarstræti), dan aan de rechterkant. Aan de linkerkant van deze weg is een van alle gemakken voorzien zwembad. Naast de camping staat een grote supermarkt (kaupfelag Eyfirðinga, lichtreclame KEA) met avondverkoop.

Voor de jeugdherberg rijd je in het centrum rechtdoor over weg nr.1. Na een brug over een riviertje is het na 400 meter rechts (Stórholt 1). In Akureyri kun je je verder onledig houden met het bekijken van de (protestantse) kathedraal, zwerven door de haven om de stokvis- industrie te bekijken, of bekijken van de botanische tuin. Niet alleen is hier een verzameling IJslandse flora, ook probeert men er zuideuropese bloemen in leven te houden. Verder zijn de opgezette zeevogels in het natuurhistorisch museum erg fraai (Náttúrugripasafnið, Hafnarstræti 18, dagelijks 13-15 uur). Van Akureyri is het nog 450 km naar Reykjavik. Omdat wij nu al 25 dagen onderweg waren, namen wij de bus terug. Eén of twee fietsen kunnen altijd wel in of achterop de bus; voor onze zeven fietsen monteerde men zonder morren een imperiaal.

Wel even naar informeren 1 of 2 dagen van tevoren. De rit duurt 8.5 uur en kost f83,- (1985).

Er zijn ook speciale excursiebussen die door het binnenland rijden (via de Kjölur- route of de Sprengisandur-route). Deze rijden niet dagelijks en zijn aanzienlijk duurder (f220,-). Daarbij is dan wel een reisleider, een lunch onderweg en een diner 's avonds inbegrepen. Verder stopt de bus bij de bezienswaardigheden (Hveravellir, Gullfoss, Geysir). Je kan ook in Hveravellir uitstappen en verder fietsen. De weg is heel behoorlijk; het is dan ca. 2 dagen fietsen naar Geysir.

Voor zover ik het vanuit de bus kon beoordelen, kun je beter het traject Akureyri- Reykjavik missen dan het spectaculaire zuiden (Skaftafell) en oosten (Myvatn). Wel weer mooi is de Hvalfjörður tussen Akranes en Reykjavik.

Voor de doorzetters een lijst van winkels, met poging tot, maar zonder aanspraak op volledigheid:

(1154 km) Akureyri

(1249 km) Varmahlið

(1300 km) Blönduós

(1353 km) Laugabakki

(1386 km) Brú

(1441 km) Bifröst

(1473 km) Borgarnes

(1516 km) Miðsandur

(1588 km) Reykjavik