De zichtbaarheid van de Ramadan maan (met voorspellingen voor de jaren 2001 tot 2011)

Inleiding

Klik hierop voor een grotere afbeeldingDe elders op deze website beschreven schematische of rekenkundige kalender (zie De islamitische kalender) wordt heden ten dage algemeen in de islamitische wereld gehanteerd voor het omrekenen van islamitische kalenderdagen naar westerse kalenderdagen. De belangrijkste uitzondering hierbij is echter de dagen van de vastenmaand Ramadān, waarvan het begin en het einde nog altijd meestal bepaald worden door de visuele waarneming van de smalle maansikkel na de astronomische nieuwe maan (als de maan het dichtst bij de zon staat). Nog altijd beginnen en eindigen vele moslims over de hele wereld de vastenperiode zoals deze door de lokale religieuze autoriteiten wordt aangekondigd na het eerste zien van de maansikkel. Ook het begin van Muharram en de bedevaartsmaand Dhū ’l-Hijja worden vaak traditioneel aangekondigd bij het zien van de maansikkel van die maand.

Het exact voorspellen van het moment waarop de nieuwe maansikkel voor het eerst met het ongewapende oog zichtbaar zal worden is nog steeds een zeer lastig probleem ondanks het feit dat vele sterrenkundigen (zowel islamitische en westerse) zich ermee bezig hebben gehouden. Het probleem ligt niet meer (zoals vroeger) in het nauwkeurig berekenen van de posities van de zon en de maan ten opzichte van de horizon van de waarnemer, maar in de onberekenbare invloeden van de aardse dampkring die de waarneming van de smalle maansikkel in het schemeringslicht van de ondergaande zon ernstig bemoeilijken. Ook het weer is een belangrijke factor, bij matige tot sterke bewolking is er natuurlijk niets te zien.

Waarneming of berekening?

De vraag of men het begin en het einde van de Ramadān door waarneming of door berekening (of een combinatie van beiden) moet laten afhangen leeft elk jaar sterk op voor en tijdens de Ramadān maand. Volgens de overlevering zou Mohammed bepaald hebben dat de Ramadān dient te beginnen met de avond waarop de maansikkel voor het eerst gezien wordt en indien dit niet mogelijk was (door slecht weer of andere oorzaken) men dan beziet hoever de nog lopende maand Sha‘ban te gaan heeft voordat deze ‘compleet’ is. Als er pas 29 dagen in die maand zijn verlopen dan maakt men deze compleet tot 30 dagen en begint men de Ramadān op de volgende avond. Is de maand echter al 30 dagen oud dan begint dient de Ramadān nog op dezelfde avond te beginnen.

Sommige moslim stromingen, zoals de shafaieten, menen dat de sterrenkundige berekeningen inmiddels zo nauwkeurig zijn geworden dat de avond waarop de maansikkel voor het eerst zichtbaar zal zijn nagenoeg exact voorspeld kan worden en dat een werkelijke waarneming eigenlijk niet meer nodig is. Deze groep van moslims die vooral in Verre Oosten leven maken dan ook veelal gebruik van een islamitische kalender waarvan het begin van elke maand overeenkomt met de avond waarop de maansikkel volgens berekening voor het eerst zichtbaar zal zijn.

Andere moslim stromingen twijfelen aan de nauwkeurigheid (vooral vanwege de onvoorspelbare weersinvloeden) waarmee de eerste zichtbaarheid van de maansikkel voorspeld kan worden en geven de voorkeur aan de waarneming ervan. Onder deze groep van moslims is wel weer verschil van mening of de waarneming van de maansikkel dan wel binnen de eigen gemeenschap dient te geschieden of dat het ook geldig is wanneer het dezelfde avond in een ander deel van de wereld gezien wordt. Voor Nederlandse moslims kan dit vaak tot een verschil van een dag leiden omdat de maan meestal een dag later in Nederland wordt gezien dan in het Midden Oosten of in andere streken nabij de evenaar. Moslims die zich richtten naar de gebruiken van hun moederland, zoals Nederlandse moslims van Marokkaanse afkomst, beginnen en eindigen de Ramadān dan ook meestal een dag eerder dan de moslims die uitgaan van de maan zoals die in Nederland wordt gezien. Onder Nederlandse moslims van Turkse afkomst heerst zowel de mening dat de waarneming alleen geldt indien het vanuit Nederland gezien wordt als de mening dat het ook geldt indien het dezelfde avond in Turkije of ergens anders ter wereld gezien wordt.

Wanneer wordt de nieuwe maan geboren?

Gedurende haar maandelijkse loop om de aarde wordt voortdurend één helft van de maan door de zon verlicht. Echter, gezien vanaf de aarde wisselt het door de zon verlichtte deel van de maan in verhouding met haar hoekafstand tot de zon. Hierdoor ontstaan de schijngestalten van de maan die de grondslag vormt voor de tijdrekening van vele oude en moderne culturen.

Voor het begin van de maancyclus (ook wel een lunatie genoemd) neemt men het tijdstip waarop de zon en de maan, gezien vanaf de aarde, het dichtst bij elkaar staan. Dit moment, dat ook bekend staat als het moment waarop de zon en de maan in conjunctie staan, wordt de astronomische nieuwe maan genoemd. De maan is dan onzichtbaar, ten eerste omdat de verlichtte zijde bijna volledig van ons is afgewend en ten tweede omdat de ragfijne sikkel die dan nog overblijft verloren gaat in de alles overstralende licht van de zon zelf. Pas na ongeveer een dag zal de maan zich ver genoeg van de zon hebben verwijderd zodat haar dunne sikkel met het ongewapende oog in de avondschemering waargenomen kan worden, mits het zonlicht voldoende door de horizon is afgeschermd.

Gedurende de eerste helft van haar cyclus, als de maan ‘wassend’ of ‘toenemend’ is, neemt het naar de aarde gewende verlichtte deel van de maan snel toe en bereikt zij 7 à 8 dagen na het tijdstip van nieuwe maan de fase van eerste kwartier wanneer de maanschijf voor de helft verlicht is. Ongeveer 15 dagen na het tijdstip van nieuwe maan is de fase van volle maan bereikt, de maan staat dan recht tegenover de zon (zij staat dan in oppositie) en de maanschijf is volledig verlicht. Tijdens de tweede helft van de maancyclus, als de maan ‘krimpend’ of ‘afnemend’ is, neemt het verlichtte deel eerst langzaam dan snel in omvang af en bereikt 7 à 8 dagen na het tijdstip van volle maan de fase van laatste kwartier wanneer de maanschijf weer voor de helft verlicht is. Na ongeveer 5 dagen is de maan de zon weer zo dicht genaderd dat zij voor het ongewapende oog niet meer zichtbaar zal zijn.

Het is natuurlijk altijd mogelijk om de jonge maansikkel nog dichter bij de zon op te sporen met de hulp van optische hulpmiddelen zoals een verrekijker of een sterrenkijker, maar de Islamitische rechtsscholen zijn verdeeld over de vraag of dergelijke moderne hulpmiddelen wel geoorloofd zijn bij het opsporen van de maansikkel. Sommigen, zoals de hanafieten en de hanbalieten, accepteren wel het gebruik van optische hulpmiddelen (indien nodig zelfs vanuit een vliegtuig, hoog boven de storende invloeden van de wolken en het weer) maar anderen stellen dat deze instrumenten pas vele eeuwen na de dood van Mohammed werden uitgevonden en dat daarom alleen de traditionele waarnemingsmethode met het ongewapende oog geldig is.

Zelfs met optische hulpmiddelen is een grens tot hoe dicht bij de zon de maan nog waarnomen kan worden. De Franse sterrenkundige André Danjon wees er in 1932 op dat naarmate de maan dichter bij de zon waargenomen wordt, de maansikkel niet alleen dunner is maar ook steeds meer van de vorm van een halve cirkel afwijkt. Binnen een straal van ongeveer 7 graden rond de zon verdwijnt de maansikkel zelfs in haar geheel en is de maan zelfs met de grootste kijkers vanaf de aarde niet meer zichtbaar. Deze grens, die sindsdien bekend staat als de ‘Danjon limiet’, is door andere sterrenkundigen bevestigd en alhoewel de precieze verklaring hiervoor nog omstreden is, stelt zij een absolute grens rondom de zon waarbinnen de maan niet waarneembaar zal zijn.

Traditionele zichtbaarheidscriteria voor de nieuwe maan

De oudst bekende technieken voor het voorspellen van de zichtbaarheid van de maansikkel zijn te vinden in astronomische spijkerschriftteksten uit het oude Babylonië. Alhoewel de precieze details ontbreken, tonen deze teksten onmiskenbaar aan dat Babylonische sterrenkundigen al vanaf de derde eeuw vóór onze jaartelling criteria hanteerden die afhingen van de hoekafstand tussen de zon en de maan bij zonsondergang, het tijdsverschil tussen zonsondergang en maansondergang en de schijnbare breedte van de smalle maansikkel.

Soortgelijke technieken vinden wij ook in sterrenkundige handboeken uit het oude India waarvan enkele van de bekendste, de Pancasiddhantika van Varahamihira (midden 6de eeuw), de Suryasiddhanta (ca. 600) en de Khandakhadyaka (ca. 650), ondermeer stellen dat de maansikkel pas zichtbaar zal zijn als deze minstens 48 minuten later ondergaat dan de zon.

Het spreekt vanzelf dat ook islamitische sterrenkundigen zich intensief met dit probleem bezighielden. In vele islamitische sterrenkundige handboeken vindt men dan ook tabellen waarmee de zichtbaarheid van de maansikkel bij benadering voorspeld kon worden aan de hand van de diepte van de zon onder de horizon bij maansondergang of wanneer het tijdsverschil tussen zonsondergang en maansondergang een bepaalde kritische waarde (meestal op 48 minuten gesteld) overschreed.

Maar ook meer geraffineerde criteria werden gehanteerd. Zo gebruikte Ya‘qūb ibn Tāriq (2de helft 8ste eeuw) een criterium die ondermeer afhing van de berekende breedte van de maansikkel. Verdere varianten op deze methode vinden we in het werk van andere islamitische sterrenkundigen zoals Ahmad ibn ‘Abdallāh Habash al-Hāsib al-Marwazī (ca. 770 - ca. 870), Abū ‘Abdallāh Muhammad ibn Mūsā al-Khwārizmī al-Majūsī (ca. 780 - ca. 850), Abū’l-‘Abbās Ahmad ibn Muhammad ibn Kathīr al-Farghānī (1ste helft 9de eeuw), Abū’l-Hasan Thābit ibn Qurra al-Harrānī al-Sābī’ (826-901), Abū ‘Abdallāh Muhammad ibn Jābir ibn Sīnān al-Battānī (ca. 850 - 929) en anderen.

Moderne zichtbaarheidscriteria voor de nieuwe maan

Het probleem van de zichtbaarheid van de maansikkel werd pas vanaf het einde van de negentiende eeuw door westerse sterrenkundigen serieus bestudeerd. Alhoewel de rol van de maan in de westerse zonnekalender zeker niet onbelangrijk is – zo bepaald zij nog steeds wanneer Pasen en de hiermee samenhangende feestdagen vallen – men hanteert hiervoor sinds oudsher een reeks van eenvoudige rekenkundige algoritmes (de zogenaamde computus) die niet meer van de waarneming van de maan zelf afhangen. Pas nadat archeologen en historici de oude sterrenkundige teksten die in de loop van de negentiende eeuw in Babylonië en elders waren opgegraven begonnen te publiceren ontstond er een interesse onder enkele westerse sterrenkundigen om de hierin genoemde datumaanduidingen (die meestal volgens een maankalender waren opgegeven) te kunnen dateren.

Bij de moderne analyses van dit probleem kan men een onderscheid maken tussen de zogenaamde empirische en theoretische methoden. Bij de eerste maakte men gebruik van een combinatie van traditionele criteria zoals hoekafstand zon-maan, maansouderdom, tijdsverschil tussen zonsondergang en maansondergang, maanshoogte boven de horizon, schijnbare breedte van de maansikkel, etc., en vergelijkt deze met moderne en historische waarnemingen van de jonge maansikkel. Bij de laatstgenoemde methode ontwikkeld men wiskundige modellen voor de transmissie van het maanlicht en de helderheid van het verstrooide zonlicht in de aardatmosfeer en bepaald men uit een model voor het optisch waarnemingsvermogen van het menselijk oog wanneer het licht van de maansikkel nog van het schemeringslicht van de zon te onderscheiden is.

De tegenwoordig meest gebruikte methode staat bekend als de ‘azimut-hoogte grenslijn’ criterium. Hierbij berekend men voor het moment van zonsondergang de positie van de maan ten opzichte van de zon en de lokale horizon en bepaald dan of de maan zich onder of boven een kritische grenslijn bevindt. Is de maan onder deze grenslijn dan zal zij niet zichtbaar zijn door de al te sterke verstrooiing van het zonlicht in de aardatmosfeer. Bevindt de maan zich ver genoeg van de zon zodat zij boven de grenslijn ligt dan zal de hemelachtergrond enige tijd na zonsondergang donker genoeg zijn geworden zodat maan korte tijd zichtbaar zal zijn voordat zij zelf ondergaat.

De ligging van deze grenslijn kan in principe theoretisch bepaald worden uit modellen van de aardatmosfeer waarin factoren zoals de verzwakking van het licht van de maan en de verstrooiing van het zonlicht worden meegenomen maar in de praktijk bepaald men de ligging hiervan uit analyses van geslaagde en niet-geslaagde waarnemingen van de maansikkel. Omdat de opbouw en de samenstelling van de aardatmosfeer in eerste benadering overal op aarde gelijk is, heeft deze methode het voordeel dat waarnemingen van alle delen van de wereld gebruikt kunnen worden en dat de afgeleide grenslijn overal op aarde toegepast kan worden.

De Engelse sterrenkundige John Knight Fotheringham paste deze methode als eerste toe in 1910 op een groot aantal geslaagde en mislukte waarnemingen van de maansikkel die door de Duitse sterrenkundige en maancartograaf Johann Friedrich Julius Schmidt, directeur van de sterrenwacht van Athene, waren verzameld tussen 1859 en 1879. Daarnaast gebruikte hij ook nog een aantal waarnemingen die door de Duitse historicus August Mommsen waren verzameld. Hij bepaalde hiertoe de positie van de maan ten opzichte van de zon op het moment dat het midden van de zon in het westen onderging (gemakshalve verwaarloosde hij hierbij voor beide hemellichamen de kleine correcties voor parallax, schijnbare afmeting en straalbreking in de aardatmosfeer). Voor elke waarneming bepaalde hij zo de hoogte van de maan boven de horizon en het azimutsverschil (het hoekverschil langs de horizon) ten opzichte van de zon en tekende deze in een figuur zoals hieronder. Omdat hij aannam dat de grenslijn links en rechts van de ondergaande zon symmetrisch moest zijn, tekende hij alleen de rechterhelft hiervan en spiegelde hij alle waarnemingen die links van de zon lagen naar de rechterhelft.

Op ongeveer 11 graden boven het midden van de zon kon Fotheringham met een flauw naar beneden gekromde lijn, die aan weerszijden van de zon eerst langzaam maar later sneller naar de horizon afdaalde, een scheidingslijn trekken tussen de geslaagde (gevulde cirkels) en de mislukte waarnemingen (open cirkels) van de maansikkel.

Een heronderzoek van het werk van Fotheringham en aangevuld met nog meer gelukte/mislukte waarnemingen werd in het daarop volgende jaar gepubliceerd door de Engelse sterrenkundige Ernst Walter Maunder. Hij trok de grenslijn iets lager en interpreteerde deze als de grens waaronder de maan vrijwel zeker onzichtbaar zou zijn. De hoger gelegen grenslijn van Fotheringham zou volgens zijn interpretatie de grens aangeven waarboven de maansikkel vrijwel zeker zichtbaar zou zijn. Deze interpretatie werd ook in 1925 door de Duitse sterrenkundige rekenaar Paul Victor Neugebauer gevolgd in zijn Hilfstafeln zur Berechnung von Himmels-Erscheinungen.

De Duitse sterrenkundige rekenaar Carl Schoch legde de grenskromme in 1927 nog een klein beetje anders en zijn in 1929 opnieuw herziene grenslijn (gepubliceerd door Paul Victor Neugebauer) wordt heden ten dage nog gebruikt voor het voorspellen van de zichtbaarheid van de maan in de Indiase sterrenkundige almanakken. Schoch gebruikte voor zijn analyse naast de waarnemingen die eerder door Fotheringham en Maunder verzameld waren ook nog Babylonische waarnemingen zoals hij deze uit een (ongepubliceerde) studie van Babylonische spijkerschriftteksten had bepaald. Achteraf moet echter betwijfeld of de laatstgenoemde waarnemingen allemaal even betrouwbaar zijn omdat het niet vaststaat of Schoch gebruik heeft gemaakt van waarnemingen waarvan wij nu vermoeden dat zij in feite berekend waren.

Alhoewel de grenslijnen voornamelijk bepaald zijn uit waarnemingen uit de tweede helft van de 19de en het begin van de 20ste eeuw, hebben latere waarnemingen de algemene ligging hiervan bevestigd. De hiernaast gegeven figuur tonen de resultaten uit een aantal ‘Moonwatch’ campagnes die tussen 1987 en 1990 door Amerikaanse amateur-sterrenkundigen werden verricht en die de algemene ligging van de grenslijnen van Fotheringham, Maunder en Schoch lijken te staven (het onregelmatig verloop in de segmenten bepaald in 1988 en 1990 waren het gevolg van lokale weersomstandigheden).

Al sinds enkele decennia heeft de Indiase natuur- en sterrenkundige Mohammad Ilyas (verbonden aan de Universiti Sains Malaysia te Penang) het probleem van zichtbaarheid van de maan in detail bestudeerd en daarbij diverse voorspelmethoden ontwikkeld en getoetst. Zijn meest recente methode, die hij in 1988 beschreef, maakt gebruik van een azimut-hoogte grenslijn die teruggaat op die van Schoch, aangevuld met een nagenoeg constante grenslijn van ongeveer 4 graden boven de horizon voor azimutverschillen van meer dan ongeveer 21 graden.

Gedurende de laatste jaren hebben de Zuid-Afrikaanse sterrenkundigen John Caldwell en David Laney, verbonden aan de South African Astronomical Observatory (SAAO), tientallen nieuwe geslaagde en mislukte waarnemingen van de jonge maansikkel verzameld waaruit zij nieuwe grenslijnen voor de zichtbaarheid van de maan hebben afgeleidt. Van deze lijnen, die wat lager dan die van Maunder en Schoch liggen, geeft de bovenste de kritische grens weer voor waarnemingen met het ongewapende oog terwijl de onderste de limiet aangeeft voor waarnemers met optische hulpmiddelen zoals verrekijkers of kleine telescopen.

De onderstaande figuur geeft een overzicht van de meeste van de bovengenoemde grenslijnen. Alle grenslijnen zijn (waar nodig) herleidt naar het moment van zonsondergang en zijn berekend voor het centrum van de maan. Hierbij is aangenomen dat de maanshoogtes gecorrigeerd zijn voor de maan parallax en de straalbreking in de aardatmosfeer.

Van de twee grenskrommen voorgesteld door de South African Astronomical Observatory geeft de bovenste lijn (––) de grens weer waaronder de maan met het ongewapende oog vrijwel zeker onzichtbaar zal zijn. De tweede lijn (---) geeft de grens weer waaronder de maan zelfs met optische hulpmiddelen zoals een verrekijker of een telescoop niet meer te zien zal zijn.

Een wat complexere grenskromme (— ···) wordt sinds 1978 toegepast in de berekeningen van de Kandilli sterrenwacht (nabij Istanboel) voor het Turkse Instituut voor Godsdienstige Regelgeving (Diyanet İşleri Başkanlığı) ten behoeve van de Turkse moslims. Zij gaat uit van de Danjon grenslimiet (die op 8 graden wordt gesteld) rond de zon met als tweede voorwaarde dat de maan minstens 5 graden boven de horizon moet zijn op het tijdstip van zonsondergang. Vooral bij kleine azimutverschillen tussen de zon en de maan leidt dit tot meer optimistische voorspellingen dan die volgens de andere methoden. Sinds enkele jaren hanteert het Turkse Instituut voor Godsdienstige Regelgeving echter de regel dat de islamitische maand aanvangt op de avond dat de maansikkel ergens ter wereld volgens de bovengenoemde voorwaarden gezien kan worden.

Verwant aan de bovengenoemde voorspellingstechnieken is de methode ontwikkeld door de Engelse sterrenkundige Bernard Yallop en die door de Nautical Almanac Office wordt gebruikt wordt voor de jaarlijkse berekeningen voor de zichtbaarheid van de maan ten behoeve van de moslims in het Verenigd Koninkrijk. Deze methode hangt af van de maanshoogte boven de horizon en de schijnbare breedte van de maansikkel, maar deze worden echter niet berekend voor het tijdstip van zonsondergang maar voor het tijdstip waarop de maansikkel het best gezien kan worden. Dit tijdstip ligt ongeveer halverwege (meer precies op 4/9>de deel) tussen zonsondergang en maansondergang, als de zon zich ongeveer 5 graden onder de horizon bevindt.

Merk op dat de zichtbaarheid van de nieuwe maan sterk beïnvloed wordt door de schijnbare helling van de maanbaan ten opzichte van de horizon. Staat deze bijna loodrecht op de horizon (zoals rond het begin van de lente op onze breedtegraad) dan kan de nieuwe maan vaak al snel (soms binnen een dag) na haar conjunctie met de zon zichtbaar zijn maar als de hoek met de horizon heel klein is (zoals rond het begin van de herfst) dan kan het wel enkele dagen duren voordat de maan na haar conjunctie met zon weer zichtbaar wordt.

Tot voor kort werd bijna over de hele wereld het begin en het einde van de Ramadān vastgesteld door een combinatie van een of meer van de bovengenoemde voorspellingsmethodes en waarnemingen: bij helder weer gaven de waarnemingen de doorslag terwijl men zich bij een bewolkte hemel naar de berekeningen richtte. Steeds meer en meer gaat men nu uit van de berekende zichtbaarheid van de maan waarbij opgemerkt dient te worden dat de regels die verschillende islamitische landen hiervoor hanteren vaak veel te optimistisch zijn.

Zo hanteert men in Saoedi-Arabië en in de aangrenzende Golfstaten de Umm al-Qura kalender waarin het begin van elke maand aanvangt op de avond waarop de maan (gezien vanuit Mekka) voor het eerst na zon ondergaat. Deze regel is eigenlijk veel te optimistisch (de maan zal op deze avond meestal nog niet te zien zijn) waardoor de Ramadān in deze landen vaak een dag eerder begint en eindigt dan in vele andere islamitische landen. Ook in Egypte hanteert men een berekende kalender waarbij elke maand aanvangt op de avond wanneer de maan (gezien vanuit Cairo) meer dan vijf minuten later dan de zon ondergaat.

Voorspellingen voor de zichtbaarheid van de nieuwe maan vanuit Nederland, Saoedi-Arabië en Suriname

De hieronder gegeven tabel verwijzen naar jaaroverzichten voor de aanvang van elke islamitische maand waarop de zichtbaarheid van de maansikkel wordt aangeven zoals deze vanuit Utrecht (5.129º oosterlengte, 52.086º noorderbreedte), Mekka (39.824º oosterlengte, 21.422º noorderbreedte), Paramaribo (55.167º westerlengte, 5.833º noorderbreedte) en Jakarta (106.750º oosterlengte, 6.133º zuiderbreedte) te zien zal zijn. Elke diagram toont voor een aantal avonden na de astronomische nieuwe maan de positie en de oriëntatie van de maansikkel ten opzichte van de lokale horizon bij zonsondergang en de hierboven beschreven grenskrommen.

Diagrammen voor de eerste zichtbaarheid van de maansikkel en de lokale omstandigheden vanuit Nederland (Utrecht), Saoedi-Arabië (Mekka), Suriname (Paramaribo) en Indonesië (Jakarta)
  Islamitisch  
jaar
Eerste en laatste dag in de
Westerse kalender
Globaal
overzicht
Lokaal
overzicht
1422 26 maart 2001 – 14 maart 2002 Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht
1423 15 maart 2002 – 4 maart 2003 Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht
1424 5 maart 2003 – 21 februari 2004 Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht
1425 22 februari 2004 – 9 februari 2005 Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht
1426 10 februari 2005 – 30 januari 2006 Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht
1427 31 januari 2006 – 19 januari 2007 Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht
1428 20 januari 2007 – 9 januari 2008 Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht
1429 10 januari 2008 – 28 december 2008 Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht
1430   29 december 2008 – 17 december 2009   Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht
1431 18 december 2009 – 7 december 2010 Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht
1432 8 december 2010 – 26 november 2011 Klik hierop voor het jaaroverzicht Klik hierop voor het jaaroverzicht

Literatuur voor meer achtergrond en technische gegevens (chronologisch geordend)


naar boven naar de begin pagina