Bronnen van de islamitische geloofsleer met betrekking tot de islamitische tijdrekening

Inleiding

Voor een beter begrip van de islamitische tijdrekenkunde in al haar aspecten en oorsprong is het noodzakelijk om terug te kunnen gaan naar de oorspronkelijke teksten van de islam. Deze webpagina geeft een summiere beschrijving van deze tekstbronnen en geeft aan waar deze in een westerse vertaling via het internet opgevraagd kunnen worden.

Bladzijde uit een fraai gekaligrafeerde Koran uit de ??de eeuw

De Koran, het heilige boek van de islam

De islam werd vanaf het jaar 610 verkondigd door de profeet Mohammed (ca. 570-632), een gerespecteerde koopman uit Mekka wiens volledige naam Abu ‘l-Qāsim Muhammad ibn ‘Abd-Allāh was. Volgens de islamitische traditie werd de tekst van de Koran door de aartsengel Jabrā’īl (Gabriël) mondeling aan Mohammed geopenbaard. Een deel van de 114 hoofdstukken (soera’s) die de Koran omvatten ontving hij tijdens zijn verblijf in Mekka, terwijl de overige hoofdstukken aan hem werden geopenbaard na zijn emigratie (hijra) met zijn volgelingen naar Medina in het jaar 622.

In eerste instantie werd de tekst van de Koran (dat letterlijk ‘de te reciteren heilige tekst’ betekend) alleen mondeling door Mohammed aan zijn volgelingen overgeleverd, die het op hun beurt weer verder onder de moslimgelovigen verspreidden. Volgens de islamitische traditie werd de tekst van de Koran werd pas na de dood van Mohammed schriftelijk vastgelegd toen veel van Mohammeds meest toegewijde volgelingen, die de tekst van de Koran in hun geheugen hadden opgeslagen, door krijgsgeweld omkwamen of door ouderdom stierven. Nadat de eerste twee kaliefs Abū Bakr ‘Abd Allāh (regeerde van 632 tot 634) en ‘Umar ibn al-Khattāb (regeerde van 634 tot 644) een eerste poging tot een codificatie van de Koran hadden ondernomen, kwam de officiële codificatie van de tekst van de Koran pas onder de derde kalief ‘Uthmān ibn ‘Affān (regeerde van 644 tot 656) tot stand.

In de loop der tijd zijn er een groot aantal commentaren (tafsīr) op de Koran geschreven. De belangrijkste hiervan zijn die van Abū Ja‛far Muhammad ibn Jarīr al-Tabarī (ca. 839-923), Abu ’l-Qāsim Mahmūd ibn ‘Umar al-Zamakhsharī (1075-1144), Fakhr al-Dīn Abū ‘Abd Allāh Muhammad ibn ‘Umar ibn al-Husain al-Rāzī (ca. 1150-1209) en ‘Abd Allāh ibn ‘Umar al-Baidāwī (ca. 1250-1316).

De Sirāt, de traditionele biografieën over Mohammed

De Hadīth, de overleveringen over Mohammed en zijn metgezellen

Naast het heilige woord van Allah zoals deze aan Mohammed was geopenbaard en in de Koran werd vastgelegd, circuleerden in de eerste eeuwen na de dood van Mohammed nog een grote verzameling van uitspraken en overleveringen die aan Mohammed en zijn meest nabije volgelingen werden toegeschreven. Deze werden door verschillende islamitische schriftgeleerden verzameld in geschriften die bekend staan als de hadīth, de ‘overlevering’, en deze gelden, na de Koran, als de heilige boeken van de tweede rang.

Aanvankelijk werden deze teksten geordend naar hun herkomst en een dergelijke verzameling, waarin voor iedere overlevering een volledige opsomming van de keten van getuigen (isnād of sanad) werd opgegeven, staat bekend als een musnad. Onder de oudste hadīth verzamelingen van deze soort genieten met name de twee volgende een hoog aanzien:

Later werden de overleveringen meer naar onderwerp in hoofdstukken geordend en een dergelijke hadīth verzameling staat bekend als een musannaf (‘geordend’). Hiervan worden zes traditioneel als het meest betrouwbaar geacht en deze staan bekend als de al-kutub al-sitta (‘de zes boeken’) of de zes sahīh’s (de ‘gezonde’ of ‘betrouwbare’ boeken). Deze verzamelingen, die allen dateren uit de laatste helft van de negende en het begin van de tiende eeuw van de westerse jaartelling, zijn de volgende:

De eerste twee hiervan, die ook het meeste aanzien genieten, staan bekend als de al-sahīhān (de twee sahīh’s).

Daarnaast wordt ook nog vaak verwezen naar de volgende latere hadīth verzamelingen:

De handboeken van de islamitische rechtsscholen

De meerderheid van de moslims zijn aanhangers van het Soennisme, die de Islam belijden naar de “traditie” zoals deze na de dood van Mohammed via de hadīth en andere geschriften werd overgeleverd. Binnen het Soennisme zijn er vier belangrijke stromingen te onderscheiden: elk hiervan baseert zijn leer op een bepaalde uitleg van de Koran en de hadīth die echter alleen in kleine details van elkaar afwijken.

De vier belangrijkste soennitische rechtsscholen zijn:

Daarnaast bestaan er nog belangrijke niet-soennitische stromingen zoals het Shi’isme, die voornamelijk in Iran (Perzië), Irak, Bahrein, Libanon, Jemen en het centrale deel van Afghanistan aangehangen wordt. Het Alevietisme is een afsplitsing hiervan dat voornamelijk in Turkije wordt aangehangen.

Nederlandstalige literatuur voor meer achtergrond

Internetbronnen

I. Algemeen

II. De Koran

III. De Hadīth

IV. Handboeken van de Islamitische rechtsscholen


Naar boven Naar de beginpagina