22 – Sūrat al-Ḥajj (“De Bedevaart”)

26 [27]    En toen wij voor Ibrāhīm de plaats van het Huis [de Ka‘ba] inrichtten: Geef Mij geen ding als genoot en reinig mijn huis voor de rondgaanden, en de staanden en de buigenden die zich nederwerpen
      
27 [28]    En kondig onder de mensen de Bedevaart af, dat zij tot u komen te voet en op elk afgemagerd dier, aankomende langs elke diepe bergpas,
      
28 [29]    opdat zij getuige mogen zijn van wat hun tot baat strekt en Gods naam mogen vermelden op kenbaar gemaakte dagen over de kuddedieren die Hij tot hun onderhoud gegeven heeft.
      
29 [30]    Laten zij daarna zich ontdoen van hun onreinheid, en laten zij hun geloften vervullen, en laten zij hun rondgang doen om het eerwaardige Huis.
      
30 [31]    Zo is het. Maar zo iemand ontzag heeft voor de door God gewijd verklaarde zaken dan is dat beter voor hem bij zijn Heer. En geoorloofd zijn voor u de kuddedieren behoudens wat u wordt voorgedragen. Doch onthoudt u van de gruwel der afgoden en onthoudt u van het spreken van valsheid
      
31 [32]    als godzoekers jegens God en niet als genotengevers. Maar wie aan God genoten geeft, die is als een die neergestort is uit de hemel waarop de vogelen hem meesleuren, of de wind hem meevoert naar een vergelegen oord.
      
32 [33]    Zo is het. Maar zo iemand ontzag heeft voor de aan God gewijde zaken, dan komt dat voort uit de vreze der harten.
      
33 [34]    Aan u komt verbruiksgenot daarvan toe tot een vastgenoemde termijn, daarna is hun bestemming naar het eerwaardige Huis.

© A. Jaber & J.J.G. Jansen (1992)

Arabische tekst en andere vertalingen