27 – Sūrat al-Naml (“De Mieren”)

24 [24]    Ik heb bevonden dat zij [de koningin van Seba] en haar volk zich nederwerpen voor de zon, buiten God, en dat de Satan hun hun daden schoon doet schijnen en hen daarmede afhoudt van de weg, zodat zij niet rechtgeleid worden.

© A. Jaber & J.J.G. Jansen (1992)

Arabische tekst en andere vertalingen