2 – Sūrat al-Baqara (“De Koe”)

142 [136]    De dwazen onder de mensen zullen zeggen: Wat heeft hen [de volgelingen van Mohammed] zich doen afwenden van hun gebedsrichting [naar Jeruzalem] die zij gewoon waren te volgen? Zeg: Aan God behoren het Oosten en het Westen. Hij leidt wie Hij wil tot een rechtgebaand pad.
      
143 [137]   En aldus hebben Wij u gemaakt tot een gemeente in het midden opdat gij getuigen zoudt zijn over de mensen en de boodschapper over U getuige zou zijn.
      
[138]    En niet hebben Wij de gebedsrichting die gij gewoon waart te volgen ingesteld opdat Wij zouden onderkennen wie de boodschapper volgen van wie zich omdraaien op hun hielen. En het was waarlijk een ernstige zaak behalve voor hen die God rechtleidt. Maar niet is God zo dat Hij uw geloof verloren doet gaan. God is waarlijk jegens de mensen goedertieren en barmhartig.
      
144 [139]    Wij zien wel hoe uw gelaat zich rondwendt in de hemel. Zo zullen Wij u wenden in een richting waaraan gij welgevallen zult hebben. Wendt dan uw gelaat naar de kant van het Gewijde Bedehuis [de Ka‘ba]. Waar gij u ook bevindt wendt uw gezichten daar naar toe. En diegenen aan wie de Schrift gegeven is weten waarlijk dat het het wezenlijke is vanwege hun Heer. God is niet achteloos omtrent wat zij bedrijven.
      
145 [140]   En welk teken [koranvers] gij ook brengt aan hen aan wie de Schrift gegeven is, zij volgen uw gebedsrichting niet. Maar niet zult gij hun gebedsrichting volgen en evenmin zullen sommigen hunner volgen de gebedsrichting van anderen. En indien gij hun lusten volgt na de kennis die tot u gekomen is dan waarlijk behoort gij tot de onrechtdoeners.
      
146 [141]   Zij aan wie Wij de Schrift gegeven hebben kennen haar zoals zij hun zonen kennen, maar een groep onder hen houdt het wezenlijke verborgen terwijl zij toch beter weten.
      
147 [142]    Het wezenlijke is vanwege uw Heer, behoort dus niet tot de twijfelaars.
      
148 [143]   En ieder heeft een richting naar welke hij zich wendt. Streef dan vooraan te zijn in de goede daden. Waar gij ook zijt zal God u tezamen brengen. God is waarlijk over alle dingen machtig.
      
149 [144]    Vanwaar gij ook uittrekt wendt daar uw gelaat naar de kant van het Gewijde Bedehuis. Dat is waarlijk het wezenlijke vanwege uw Heer. Niet is God achteloos omtrent wat gij bedrijft.
      
150 [145]    Vanwaar gij ook uittrekt wendt daar uw gelaat naar de kant van het Gewijde Bedehuis, en waar gij ook zijt wendt daar uw gezichten naar toe opdat de mensen geen bewijsgrond tegen u hebben tenzij degenen onder hen die onrecht doen. Zo vreest hen niet maar vreest Mij opdat ik Mijn weldaad aan u volmake. Wellicht zult gij u recht laten leiden.
      
151 [146]    Gelijk Wij onder u gezonden hebben een boodschapper uit uw midden die u Onze tekenen voordraagt en u reinigt en u onderwijst de Schrift en de Wijsheid en u onderwijst wat gij niet wist.
      
152 [147]    Gedenkt Mij dan en Ik zal uwer gedenken en toont Mij dankbaarheid en weest niet ongelovig aan Mij.

© A. Jaber & J.J.G. Jansen (1992)

Arabische tekst en andere vertalingen