2 – Sūrat al-Baqara (“De Koe”)

196 [192]    En volbrengt voor God de Bedevaart en het Bezoek [aan de Ka‘ba]. Doch indien gij belemmerd zijt, dan zoveel offergave als doenlijk is maar scheert uw hoofden niet totdat de offergave haar bestemming bereikt heeft, maar indien iemand uwer ziek is of een letsel heeft aan zijn hoofd, dan een zoenprijs bestaande in vasten of een liefdegave of een godsdienstige verrichting. Verder, wanneer gij in veiligheid zijt en indien dan iemand het Bezoek [aan de Ka‘ba] benut tot aan de Bedevaart, dan zoveel offergave als doenlijk is, doch als iemand niets te geven vindt, dan een vasten van drie dagen tijdens de Bedevaart en van zeven wanneer gij zijt teruggekeerd, dat is tezamen tien. Dat is voor hem wiens huisverwanten niet woonachtig zijn bij het Gewijde Bedehuis. En vreest God en weet dat God hevig is in de kastijding.
      
197 [193]    De Bedevaart is een bekend aantal maanden. Indien nu iemand in deze maanden de Bedevaart als plicht nakomt dan zij er geen huwlijksomgang, geen ondeugd en geen gekijf bij de Bedevaart. En wat gij aan goeds verricht, dat kent God. En neemt reiskost, maar de beste reiskost is de godsvreze. En vreest Mij, o verstandigen.
      
198 [194]    Niet is het zonde voor u, dat gij genade begeert van uw Heer. Wanneer gij dan in optocht heengaat van [de berg] ‘Arafat, gedenkt dan God bij het Gewijde Merkteken, en gedenkt Hem zoals Hij u heeft geleid, ook al behoorde gij te voren tot de dwalenden.
      
199 [195]    Begeeft u dan in optocht van waar de mensen vandaan gaan en vraagt God om vergiffenis. God is waarlijk vergevend en barmhartig.
      
200 [196]    En wanneer gij uw plichtgebruiken beëindigd hebt, gedenkt dan God zoals gij uw vaderen gedenkt of nog sterker. Doch er zijn mensen die zeggen: Onze Heer, geef ons in het nabije leven. Maar voor zo een is in het latere leven geen geluksdeel.

© A. Jaber & J.J.G. Jansen (1992)

Arabische tekst en andere vertalingen