36 – Sūrat Ya’-Sīn (“De Letters Ya’ Sīn”)

37 [37]    En een teken voor hen is de nacht waar Wij de dag aan onttrekken, waarop zij in duisternis zijn.
      
38 [38]    En de zon, zij loopt naar een rustpunt voor haar vastgesteld. Dat is de maatbeschikking van de Geweldige, de Wetende.
      
39 [39]    En de maan Wij hebben haar standplaatsen naar maat beschikt, totdat zij weer terugkeert als een oude palmtak.
      
40 [40]    Niet is het voor de zon nodig dat zij de maan inhaalt, noch komt de nacht voor [het einde van] de dag. En een elk stuwen zij voort in kringloop.

© A. Jaber & J.J.G. Jansen (1992)

Arabische tekst en andere vertalingen