5 – Sūrat al-Mā‘ida (“De Tafel”)

2 [2]    O gij die gelooft, ontwijdt niet de aan God gewijde zaken, noch in de gewijde maand [der pelgrimstocht], noch de offergave, noch de offeromhangselen, noch wie zich begeven naar het gewijde huis [de Ka‘ba] in begerigheid naar genade van hun Heer en welgevallen.
      
[3]    Maar wanneer gij in ongewijde toestand zijt, maak dan jacht en laat niet de boze aanslag van lieden om u te doen afwijken van het gewijde Bedehuis, u ertoe brengen vijandschap te tonen. En staat elkander bij in de vroomheid en de vreze maar staat elkander niet bij in de zonde en de vijandschap. God is waarlijk hevig in kastijding.

© A. Jaber & J.J.G. Jansen (1992)

Arabische tekst en andere vertalingen