index - inleiding - gebied - werkwijze - morfologie - planten - dieren - ecologie - streefbeelden

4. geomorfologie, bodem en water

4.1 geomorfologie

Voor de bouw van de wijk Lunetten werden er in het plangebied drie geomorfologische vormeenheden onderscheiden, te weten rivierkomvlakte, rivieroeverwal en een stroomgeul van een meanderend afwateringsstelsel. Deze laatste vormeenheid betrof de oude stroomgeul van de Oud-Wulverbroekerwetering. Door de bouw van de wijk en de aanleg van de taluds van de omringende snelwegen is er van de oorspronkelijke geomorfologie van het gebied heel weinig overgebleven.

4.2 bodem

De bodem van het onderzoeksgebied bestond oorspronkelijk geheel uit rivierklei die is afgezet door de Kromme Rijn en zijn zijarmen. Het grootste deel van het gebied bestaat uit zogenaamde poldervaaggronden. Op basis van de zwaarte van de aanwezige klei en het kalkgehalte worden vier typen onderscheiden. Kalkhoudende kleien komen alleen voor in het uiterste oosten en zuidwesten van het plangebied (figuur 3). Ter weerszijden van de Oud-Wulverbroekerwetering komt een zogeheten nesvaaggrond opgebouwd uit zware klei voor.

Ten behoeve van de bouw van de wijk Lunetten zijn er ter plekke grote hoeveelheden zand opgespoten (zie foto 4) en is de bodem in een groot deel van het gebied sterk verstoord. Alleen langs de randen is de oorspronkelijke bodem grotendeels intact gebleven.

Lunet 4 (foto M. Hidskes)

Al ver voor de aanleg van de wijk werd de natuurlijke bodemopbouw verstoord door de bouw van de fortificaties in het noordwesten. Aan deze zogeheten Lunetten ontleent de wijk haar naam.

  

Figuur 3. Bodems van het onderzoeksgebied

4.3 water

4.3.1 Waterhuishouding

In de wijk Lunetten komen enkele grotere wateren voor, te weten de fortgrachten rond de twee Lunetten en het Inundatiekanaal, die in 1819 werden aangelegd (Janse & Kools 1985). Dit zijn wateren met een breedte van meer dan tien meter en een diepte van ca. 0,75 m (fortgrachten) tot 1 m (Inundatiekanaal). Daarnaast liggen er in de wijk veel kleinere wateren die deels bij aanleg van de wijk nieuw zijn gegraven, deels oud zijn, zoals sommige sloten in park De Koppel. De oudste watergang in het gebied is de Oud-Wulverbroekerwetering. Deze wetering is een oude Rijnarm die waarschijnlijk nog tot in de Romeinse tijd als zodanig functioneerde (Janse & Kools 1985).

De meeste watergangen in het gebied worden beheerd door het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Slechts de kleinere sloten in het gebied worden beheerd door de gemeente Utrecht (Bron HDSR 2001) (figuur 4).

De wateren in de wijk Lunetten maken deel uit van twee verschillende watersystemen (Janse & Kools 1985).

  1. Het eerste systeem bestaat uit de fortgrachten rond Lunet 3 en 4 die tezamen met de fortgrachten rond Lunet 1 en 2, ten noorden van de spoorlijn, een geheel vormen. De verbinding tussen de fortgrachten van Lunet 1 en 2, en 3 en 4 onder de spoorlijn lijkt ten dele verland en voor bijvoorbeeld vissen niet langer geschikt. Het fortgrachtensysteem staat bij Lunet 1 in verbinding met de Kromme Rijn en heeft een peil van 60 cm +NAP.

  2. Het tweede systeem bestaat uit de watergangen in de wijk zelf, het Inundatiekanaal en de Oud-Wulverbroekerwetering. Het westelijk deel van het systeem heeft een waterpeil van 12-14 cm +NAP, het oostelijk deel, rond de Oud-Wulverbroekerwetering heeft een peil van 30 cm +NAP. Dit systeem voert het water via een duiker af naar het gebied ten zuiden van rijksweg A12. Een deel van het water kan worden afgevoerd via de sloten van Hoograven. De sloten van dit systeem zijn ca. 50 cm diep, het Inundatiekanaal heeft een diepte van ca. 1 meter.
De beide watersystemen in de wijk Lunetten werden omstreeks 1980 van elkaar gescheiden (Janse & Kools 1985), maar kunnen als daar reden toe bestaat tijdelijk weer met elkaar verbonden worden door het openen van de schuiven in de dam tussen Lunet 4 en het Inundatiekanaal, of via de stuw bij de Koningsweg tussen Lunet 2 en de Oud-Wulver-broekerwetering. De wijksloten kunnen dan worden doorgespoeld met Rijnwater.

4.3.2 Gebruik en kwaliteit van water en watergangen

Gebruik en functie

De watergangen in de wijk hebben naast een recreatieve (sportvissen), landschappelijke en ecologische functie, primair tot doel het overtollige (regen)water af te voeren. De wijk Lunetten bezit een verbeterd gescheiden rioolstelsel (Janse & Kools 1985). Dit houdt in dat het afvalwater van de woningen en het regenwater (met straatvuil) via aparte buizen worden afgevoerd naar de zuiveringsinstallatie in Overvecht. Als het systeem bij hoosbuien niet al het water kan verwerken, wordt het teveel aan water via overstortputten geloosd op de watergangen.

 
Figuur 4. Waterhuishouding en -beheer
Waterkwaliteit

In mei en juli 2002 zijn op een achttal monsterpunten gegevens verzameld over de waterkwaliteit. Deze metingen zijn uitsluitend te gebruiken als indicatie voor de kwaliteit van het water in de diverse watergangen in de wijk.

punt pH EGV [μS/cm] NO3 [mg N/l] PO4 [mg P/l] O2 [mg/l] Doorzicht [cm]
meijuli meijuli meijuli meijuli meijuli meijuli
1 8,1 8,4 452 471 1 2 0,2 0,1 5,1 3,1 30 40
2 7,2 7,3 293 320 <0 <0 <0,1 <0,1 6,2 5,5 >30 >30
3 8,2 8,6 384 392 <0 <0 <0,1 <0,1 5,8 6,1 45 40
4 8,0 7,8 312 410 <0 <0 <0,1 <0,1 5,4 4,7 >35 >20
5 8,6 8,6 470 422 <0 <0 <0,1 <0,1 6,4 6,5 50 >50
6 8,5 8,8 358 332 <0 <0 <0,1 <0,1 6,2 6,3 50 50
7 8,7 8,6 413 406 <0 <0 <0,1 <0,1 5,9 5,7 45 35
8 8,8 8,4 309 343 <0 <0 <0,1 <0,1 6,7 5,2 >40 >40

Tabel 1. Resultaten van de waterkwaliteitsmetingen per monsterpunt

Kwel

Langs de randen van diverse sloten in Lunetten is aan de hand van bepaalde verschijnselen (bacterievliezen, ijzerneerslag en plantengroei) de aanwezigheid van uittredend grondwater (kwel) vastgesteld. Kwel is van betekenis omdat het grondwater dat aan de oppervlakte komt, schoon is en vaak enigszins kalkhoudend.

Door de vrij constante toevoer van schoon grondwater zijn locaties waar kwel optreedt bij uitstek geschikt voor (kleinschalige) natuurontwikkeling, zoals het graven van poelen en plasbermen, omdat hier in principe bijzondere levensgemeenschappen kunnen ontstaan. In figuur 5 zijn de locaties weergegeven waar kwel is vastgesteld.

figuur 5: Kwellocaties

Organisch afval en rottingsslib

De bodem van veel wateren in Lunetten is bedekt met een dikke laag organisch afval (blad, takken, etc.) en/of een (vrij) dikke laag rottingsslib. Dit heeft tot gevolg dat de waterdiepte in sommige watergangen zeer gering is, waardoor ze voor in het water levende organismen deels ongeschikt worden. Bovendien kan de vertering van het vele organische afval ook leiden tot zuurstofarmoede. Behalve afval van organische herkomst komt er in sommige watergangen ook veel afval van menselijke makelij voor. Dit is in het bijzonder het geval in de spoorsloot.

Al met al kan gesteld worden dat door de ophoping van organisch en menselijk afval de geschiktheid van de watergangen voor in het water levende organismen afneemt, alsook de waterkwaliteit. Vanuit dat licht bezien is een gefaseerde verwijdering van afval en slib (baggeren) wenselijk.

Afstervende plantenresten vormen na verloop van jaren een dikke laag bagger op de bodem van de watergangen (foto M. Hidskes)

Viswatertypering van de belangrijkste watergangen

De belangrijkste wateren in Lunetten (fortgrachten, Inundatiekanaal) kunnen getypeerd worden met het systeem van de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij. Binnen dit systeem wordt onderscheid gemaakt tussen ondiepe en diepe stilstaande wateren. Deze hoofdtypen worden op grond van de visgemeenschappen verder onderverdeeld in vier typen. De wateren in Lunetten behoren tot het blankvoorn-brasemtype (ondiep III), plaatselijk zelfs tenderend naar het brasem-snoekbaarstype (ondiep IV) (schriftelijke med. K. M. Verweij). Wateren van het blankvoorn-brasemtype hebben een eutroof karakter, mede als gevolg van nutriŽntentoelevering vanuit het bodemsubstraat, een beperkt doorzicht in de zomerperiode (40-60 cm) en hebben een (zeer) matig ontwikkelde watervegetatie (Quak & van der Spiegel 1992, Zoetemeyer 1999). Bovendien bieden dergelijke wateren aan relatief weinig vissoorten goede ontwikkelingsmogelijkheden. Bij wateren van het brasem-snoekbaarstype is dit in nog sterkere mate het geval.

Vanuit ecologisch oogpunt is het wenselijk te streven naar typen met een minder eutroof karakter, een beter ontwikkelde watervegetatie en ontwikkelingsmogelijkheden voor een groter aantal vissoorten. In de systematiek van de OVB zijn dit het snoek-blankvoorntype (ondiep II) en het ruisvoorn-snoektype (ondiep I). Dit lijkt een reŽle optie aangezien de huidige toestand vermoedelijk vooral veroorzaakt wordt door de jarenlange bagger-achterstand (schriftelijke med. K. M. Verweij).

Het Inundatiekanaal (Foto H. van den Bijtel)