index - inleiding - gebied - werkwijze - morfologie - planten - dieren - ecologie - streefbeelden

5 resultaten (vervolg)

5.4 Fauna

5.4.1 zoogdieren

Er is binnen het project geen gerichte inventarisatie van zoogdieren uitgevoerd gezien het zeer arbeidsintensieve karakter hiervan. Een uitzondering hierop vormen de vleermuizen. In de zomer van 2002 is het gebied tot tweemaal toe bezocht met een batdetector. Deze bezoeken leverden echter weinig informatie op.

Noot: Gezien het zeer beperkte resultaat van de vleermuisbezoeken zijn er aanvullende gegevens bij de Vereniging voor Zoogdierbescherming en Zoogdieronderzoek opgevraagd. Deze waren evenwel niet voor handen. Er wordt nog een poging ondernomen om elders gegevens op te vragen. Mochten die beschikbaar komen, dan zullen deze worden verwerkt in het rapport over de streefbeeldfase.

Aan de hand van zicht- en batdetectorwaarnemingen, toevallige waarnemingen en vondsten van verkeersslachtoffers is de aanwezigheid van de volgende 16 soorten zoogdieren vastgesteld:

bosmuis bosspitsmuis s.l.
bruine rat bunzing
dwergvleermuis s.l. egel
grootoorvleermuis s.l. haas
hermelijn konijn
mol muskusrat
rosse woelmuis veldmuis
watervleermuis woelrat
Met uitzondering van hermelijn en bunzing zijn dit alle soorten die in veel gebieden in Nederland algemeen voorkomen.
De hermelijn behoort tot de kleine marterachtigen en is een soort die in de afgelopen decennia in veel gebieden sterk in aantal achteruit is gegaan. In Lunetten werd er in mei 2002 een exemplaar waargenomen in de ruigte aan de voet van het talud van rijksweg A12. Van de bunzing, die eveneens tot de kleine marterachtigen wordt gerekend, zijn op de omringende snelwegen in de onderzoeksperiode drie verkeersslachtoffers gevonden: twee exemplaren op rijksweg A27 en ťťn exemplaar op de Waterlinieweg. Op grond van deze vondsten kan worden aangenomen dat de soort ook in Lunetten aanwezig is. Op grond van de verzamelde gegevens valt weinig te zeggen over de betekenis van Lunetten. Voor soorten die zich over de grond verplaatsen zullen de (zeer) beperkte mogelijkheden tot uitwisseling met populaties in de omgeving in samenhang met de geringe omvang van de populatie een probleem kunnen vormen met het oog op het duurzaam voortbestaan in Lunetten.

5.4.2 vogels

Er zijn in Lunetten 53 soorten broedvogels vastgesteld. Nieuwenhuis & Seure (1998) namen in 1997 in de groengebieden 42 soorten waar (bijlage 6). Aanvullend onderzoek ten behoeve van dit project leverde nog eens elf soorten extra op, waarvan er zich vijf ophielden in de groengebieden, te weten groene specht, ijsvogel, witte kwikstaart, kneu en rietgors. De overige zes soorten waren beperkt tot het bebouwde deel van de wijk.

Om een indruk te krijgen van de verdeling van de broedvogels over verschillende habitattypen, zijn de soorten ingedeeld in zeven hoofdecotopen (Sierdsema 1995), te weten open water; riet- en andere verlandingsvegetaties; ruigten; grazige vegetaties; struiken, struwelen en heggen; boomgroepen, open bos en bosranden; opgaande, gesloten bossen. Voor deze bewerking zijn alleen de gegevens van 1997 gebruikt. Aangezien sommige soorten in twee ecologische groepen zijn ingedeeld, is het aantal territoria hoger dan in werkelijkheid werd vastgesteld.

Soorten van gesloten bossen en van struiken, struwelen en heggen hebben het grootste aandeel in de broedvogelbevolking van de groengebieden, zowel als het gaat om het aantal soorten als het aantal territoria (figuur 9). Wat betreft het aantal territoria heeft ook de groep vogels van open water een redelijk aandeel.


Figuur 9. Procentuele verdeling van het aantal soorten en territoria over de verschillende hoofdecotopen.

Opmerkelijk is het geringe aandeel van vogels van boomgroepen, open bossen en bosranden. Omdat de bospercelen in Lunetten klein zijn en voortdurend afwisselen met open terreintjes is er verhoudingsgewijs erg veel bosrandlengte en daarom zou je verwachten dat deze groep ruim vertegenwoordigd is. Dat dit niet het geval is, is een gevolg van de hoge eisen die de soorten die in deze groep zijn ingedeeld, stellen aan de kwaliteit (rust) en het oppervlak van hun leefgebied. De groep omvat deels soorten van boomgroepen in uiterwaarden en grootschalige moerassen, deels kritische soorten van open bossen en kleinschalige cultuurlandschappen op de hogere zandgronden. Het zijn soorten die in Lunetten niet te verwachten zijn. Dat de begroeiingen in de wijk evenwel een goede structuur bezitten, blijkt wel uit het hoge aandeel van struiksoorten, waaronder zich enkele minder algemene soorten, zoals bosrietzanger en grasmus, bevinden.


Tabel 2. Indeling van soorten in de verschillende ecologische groepen (naar Sierdsema 1995)
De verspreiding van de territoria van vogels uit de verschillende ecologische groepen zijn weergegeven in figuur 10-14. Deze kaarten geven een goed beeld van waar de kernen voor de verschillende groepen liggen.

verspreiding vogels
open water, n=43 riet, moeras, n=39 struiken, heggen, n=199
figuur 10 figuur 11 figuur 12

boomgroepen, n=23 gesloten bos, n=199
figuur 13 figuur 14

Binnen het stedelijk gebied van Lunetten kunnen drie vogelgemeenschappen worden onderscheiden. De vogelbevolking van de dichtbebouwde delen met weinig tot geen groen wordt gedomineerd door stadsduif, Turkse tortel en enkele zeer algemene soorten als houtduif, merel, spreeuw, ekster en vink. Kenmerkend is ook het grote aantal vogels dat er de gehele dag door voedsel zoekt, maar (meest) elders broedt, zoals kokmeeuw, gierzwaluw, kauw en zwarte kraai. Meer bijzondere soorten van deze wijkdelen zijn scholekster, die broedt op een grinddak van een kantoorpand nabij het station en zwarte roodstaart die met enkele territoria vertegenwoordigd is.

In de die delen van Lunetten met plantsoenen, tuinen en binnenstedelijke verbindingszones verschijnen een aantal algemene bos- en struikvogels, zoals winterkoning, heggenmus, roodborst, merel, tjiftjaf, koolmees en vink.

Soortenrijker is de vogelbevolking van de wijkdelen die grenzen aan de grotere groen-gebieden. Hier doen soorten als zwartkop, pimpelmees en putter hun intrede. Ook boerenzwaluw en huiszwaluw zijn geregeld in deze wijkdelen waargenomen, en als er water aanwezig is, soepeend en meerkoet.

De betekenis van de broedvogels van Lunetten

De broedvogelbevolking van de groengebieden van Lunetten is goed ontwikkeld, zeker als je in aanmerking neemt dat het hier een stadswijk betreft waar veel storingsbronnen aanwezig zijn, zoals licht, geluid en onrust. Daar komt nog eens bij dat Lunetten geheel omringd is door infrastructuur (rijkswegen, spoorlijn) en daardoor geÔsoleerd ligt.

Des te opmerkelijker is het dat er in de broedtijd in de wijk vier Rode Lijst-soorten aanwezig zijn (Lina & van Ommering 1996). Rekenen we de soorten uit de bijlage ook mee dan zijn dat er zelfs zeven (figuur 15). Het gaat om de volgende soorten:

  1. Torenvalk Falco tinnunculus In tegenstelling tot veel andere roofvogelsoorten die in de afgelopen decennia in aantal zijn toegenomen, is de torenvalk juist afgenomen. De precieze oorzaak voor deze achteruitgang is onbekend. Mogelijk speelt concurrentie met de buizerd, eveneens een muizeneter, hierbij een rol. De achteruitgang van de soort is van dien aard dat de soort is opgenomen in een bijlage van de Rode Lijst (Lina & van Ommering 1996). De torenvalk kan regelmatig worden waargenomen in de omgeving van de A12 en ook wel jagend op de graslanden in park De Koppel. De soort nestelt vermoedelijk buiten Lunetten.

  2. Steenuil Athene noctua is een soort van kleinschalige cultuurlandschappen die zijn nest bouwt in allerlei holten, zoals in knotbomen en oude schuurtjes. Zijn voedsel bestaat voor een belangrijk deel uit regenwormen, grote insecten en kleine zoogdieren. Deze soort is in Nederland in de afgelopen decennia dramatisch achteruitgegaan. In Lunetten is de soort gehoord in de omgeving van de stadsboerderij.

  3. IJsvogel Alcedo atthis De ijsvogel is een soort die nogal wat eisen stelt aan zijn leefomgeving. Het is een oogjager die voornamelijk leeft van vis en dus helder, liefst stromend water nodig heeft. De soort bouwt het nest in een steile oever of in de wortelkluit van een omgevallen boom. IJsvogels zijn erg gevoelig voor strenge winters, maar omdat die de laatste jaren zijn uitgebleven, maakt de soort een opmerkelijke opleving door. Dit verklaart vermoedelijk ook het voorkomen in Lunetten. In het voorjaar van 2002 werd de soort tweemaal waargenomen aan de zuidkant van het Inundatiekanaal en eenmaal bij Lunet 4.

  4. Groene specht Picus viridis De groene specht is net als de ijsvogel nogal gevoelig voor strenge en vooral sneeuwrijke winters. De soort voedt zich voor een belangrijk deel met mieren die onder een dik pak sneeuw moeilijk te vinden zijn. Ook de groene specht is de laatste jaren sterk in aantal toegenomen, vooral in de open polderlandschappen ten westen en zuidwesten van de Utrechtse Heuvelrug (Witkamp 2002). In het voorjaar van 2002 zijn tot driemaal toe groene spechten gezien en gehoord in het gebied ten westen van de stadsboerderij. Mogelijk heeft de soort genesteld in de wilgenbossen, al is er geen nest gevonden.

  5. Boerenzwaluw Hirundo rustica De boerenzwaluw, nog altijd een kenmerkende soort van agrarische landschappen, is naar wordt aangenomen eveneens zo sterk in aantal afgenomen, dat de soort is opgenomen in de bijlage van de Rode Lijst. Omdat de soort voorheen zoveel voorkwam, is er in het verleden weinig kwantitatief onderzoek naar verricht. Hierdoor is er geen goed inzicht in de omvang van de achteruitgang. In Lunetten werd de soort op een tweetal plekken (zie figuur 15) zingend waargenomen. Het is evenwel niet uit te sluiten dat er meer boerenzwaluwen in de wijk voorkomen.

  6. Rietzanger Acrocephalus schoenobaenus De rietzanger is een vogel van verruigde rietvelden en brede rietkragen bij voorkeur met enkele struiken (overjarig riet). De soort is in Nederland in de afgelopen decennia sterk in aantal achteruitgegaan, vermoedelijk als gevolg van verslechterde omstandigheden in de overwinteringsgebieden in Afrika, maar mogelijk ook als gevolg van een afname van de oppervlakte geschikt broedbiotoop in Nederland. In Lunetten werden in 1997 op vijf locaties territoria van deze soort vastgesteld (figuur 15).

  7. Kneu Acanthis cannabina De kneu is eveneens een soort die eertijd veel voorkwam in kleinschalige cultuurlandschappen met veel bloemrijke ruigten en overhoeken. In het cultuurland is de soort evenwel zo sterk in aantal achteruitgegaan, dat hij is opgenomen op de Rode Lijst (bijlage). Tegenwoordig broeden kneuen in toenemende mate in jonge laanbeplantingen in nieuwbouwwijken van dorpen en steden. In Lunetten komt de soort echter in een meer oorspronkelijk biotoop voor en wel in de jonge bossen en aangrenzende ruigten en struwelen tegen de snelweg aan.
Al met al kan gesteld worden dat Lunetten een rijke broedvogelbevolking met relatief veel bijzondere soorten herbergt. Omdat de meeste vogelsoorten goede en krachtige vliegers zijn, is de isolatie van Lunetten voor deze diergroep vermoedelijk van minder betekenis. Wat wel een knelpunt is, is dat juist van de meer veeleisende soorten (Rode Lijst-soorten en schaarse soorten) de aanwezige populaties doorgaans klein zijn als gevolg van de vaak geringe oppervlakte geschikt habitat. Om deze soorten ook voor de toekomst voor Lunetten te kunnen behouden is het van wezenlijk belang de kwaliteit van de habitats van deze soorten in stand te houden of te verbeteren en waar mogelijk het oppervlak ervan te vergroten.

figuur 15: Territoria van Rode Lijst-soorten

5.4.3. reptielen en amfibieŽn

reptielen

De ringslang is het enige reptiel dat in de wijk Lunetten voorkomt. De soort is tijdens het onderzoek in 2002 niet gezien, maar wordt met een zekere regelmaatwaargenomen in het Beatrixpark (Vuik 1999). Over de omvang van de populatie in het gebied is weinig bekend, maar het is vrijwel zeker dat die (zeer) beperkt is. Bovendien is de populatie sterk geÔsoleerd, wat deze extra kwetsbaar maakt. Aangezien er nauwelijks mogelijkheden zijn voor uitwisseling met populaties in de wijdere omgeving, is handhaving en zo mogelijk versterking van de samenhang tussen de verschillende grotere groengebieden in Lunetten en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied, bijvoorbeeld door de aanleg van broeihopen, voor de instandhouding van deze soort van groot belang.

amfibieŽn

Er komen in Lunetten met zekerheid vier soorten amfibieŽn voor. Hierbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat in het veld, een enkele uitzondering daargelaten, geen onderscheid is gemaakt tussen de verschillende groene kikkers.

De bruine kikker is in Lunetten een algemene soort die ook voorkomt in en langs de watergangen in het stedelijk gebied.

Tijdens de bemonstering van de verschillende wateren in het gebied zijn de volgende soorten aangetroffen:

  1. Bruine kikker Rana temporaria

    figuur 16: verspreiding
    bruine kikker
    Tijdens de inventarisatie is de bruine kikker uitsluitend in de zuidelijke helft van Lunetten aangetroffen (figuur 16). Het zuidoostelijk deel van De Koppel blijkt een kerngebied te zijn, wat niet verwonderlijk is gezien de ruime keus aan rijk begroeide sloten en het optimale landbiotoop met vochtige hooilanden en bosschages. De noordelijke uitloper van De Koppel is in het voorjaar niet bezocht, maar er zijn in juli wel juvenielen en adulten aangetroffen zodat we kunnen aannemen dat ook hier voortplanting plaatsvindt. In het volkstuinencomplex aan de Oude Liesbosweg komt de bruine kikker zeer waarschijnlijk ook veelvuldig voor. In het voorjaar is slechts op twee punten aan de zuidrand geschept en daarbij zijn veel larven gevangen. De sloten in het complex zijn toen, gezien de lagere prioriteit, niet onderzocht. Deze kroossloten lijken niet optimaal voor de voortplanting, maar wellicht worden ze wel als zodanig gebruikt. In de bebouwing van Lunetten zijn in juni weinig locaties bezocht, maar daar bleken wel ruime aantallen kikkervissen aanwezig. Het is bekend dat deze kikker zich in tuinen goed thuisvoelt en blijkbaar vormen de weteringen, in geval van een hoge bedekking met waterplanten, een geschikt voortplantingswater. Opmerkelijk is dat de bruine kikker in het Beatrixpark tijdens de monsternames niet is aangetroffen, terwijl er diverse geschikte plekken zijn onderzocht. De oorzaak hiervan is onduidelijk.

  2. Groene kikker Rana esculenta/ridibunda

    Er zijn drie soorten groene kikkers in Nederland, de kleine groene kikker of poelkikker (Rana lessonae), de grote groene kikker of meerkikker (R. ridibunda) en de hybride, de middelste groene kikker (R. klepton esculenta). Tijdens deze inventarisatie is dit onderscheid slechts ťťn keer gemaakt. Een in het Beatrixpark gevangen kikker is als middelste gedetermineerd. Deze soort komt waarschijnlijk het meest voor in Lunetten. Daarnaast zijn enkele grote exemplaren gezien die wellicht meerkikkers waren. Er zijn geen dieren gezien of gehoord die aan de poelkikker deden denken. Groene kikkers zijn relatief weinig aangetroffen. In het voorjaar zijn in de smalle slootjes van het Beatrixpark veel dieren gezien en in juli zijn in de brede sloot ten zuiden van de volkstuinen veel larven gevangen. De waarnemingen uit ĎStadsamfibieŽní bevestigen het voorkomen in het Beatrixpark en het volkstuinencomplex. Daarnaast zijn er diverse meldingen uit de bebouwde omgeving.

    Deze resultaten vallen eigenlijk wat tegen. Groene kikkers kunnen ook in oeverzones van grotere wateren voor hun voortplanting goed uit de voeten en daarom zijn ze ook in de fortgrachten en het Inundatiekanaal te verwachten. De Koppel lijkt helemaal een ideaal biotoop en is in juli vrij intensief bemonsterd, maar geen spoor van de groene kikker. De belangrijkste gebieden zijn met deze inventarisatie wel in beeld gebracht, maar kleinere verspreidingslocaties kunnen zijn gemist.

  3. Gewone pad Bufo bufo

    De gewone pad komt overal in Lunetten veelvuldig voor en wordt door bewoners zeer frequent waargenomen in de bebouwde omgeving. De pad plant zich in De Koppel en de bebouwing in dezelfde wateren voort als de bruine kikker. Bij de volkstuinen zijn geen larven gevangen, maar gezien de juvenielen die zijn aangetroffen plant de gewone pad zich ook hier voort. In het Beatrixpark vindt massale voortplanting plaats aan de noordpunt van het Inundatiekanaal. Paddenlarven zijn giftig en worden door vissen niet gegeten waardoor de pad zich ook in visrijke wateren goed kan vermeerderen.

  4. figuur 17: verspreiding
    kleine watersalamander
    Kleine watersalamander Triturus vulgaris

    De kleine watersalamander blijkt in heel Lunetten voor te komen en plant zich in zeer veel wateren voort. Op veel plaatsen zijn larven aangetroffen, wat er op duidt dat de kleine watersalamander een ruimere keuze aan voortplantingswateren heeft dan de andere soorten amfibieŽn (figuur 17). Naast de smalle rijk begroeide sloten worden blijkbaar ook smalle oeverzones in de bredere wateren volop gebruikt voor de voortplanting.

  5. Kamsalamander Triturus cristatus

    In het kader van het project StadsamfibieŽn zijn in 1999 bezoeken gebracht aan bewoners die meldingen hadden gedaan uit tuinvijvers. Bij een bezoek aan de Tankenberg werd verslag gedaan van een grote zwarte salamander met een drakenkam die daar en bij de buren was gesignaleerd. Op grond van de gedetailleerde beschrijving bestaat het vermoeden dat het een kamsalamander is geweest. Volledige zekerheid kan echter pas worden verkregen als de soort in Lunetten een keer gevangen wordt.

    Het voorkomen van de kamsalamander in Lunetten is niet geheel onwaarschijnlijk, omdat de soort ten oosten van de stad op meer plekken voorkomt en er vanuitgegaan kan worden dat de soort vůůr de aanleg van de A27 en de woonwijk ook in Lunetten voorkwam.

Hoewel er geen bijzondere soorten voorkomen in Lunetten is de conclusie gerechtvaardigd dat Lunetten een redelijke rijke amfibieŽnpopulatie herbergt. Dit is enerzijds te danken aan de aanwezigheid van veel geschikte voortplantingswateren en anderzijds aan de natuurlijke parken en tuinen die een voor amfibieŽn geschikt landbiotoop vormen. Ook voor deze groep geldt dat de mogelijkheden tot uitwisseling met omliggende populaties beperkt zijn, maar de populaties binnen het gebied zijn vermoedelijk groot genoeg om stand te kunnen houden.

5.4.4. vissen

Vissen zijn met een schepnet lastig te bemonsteren, omdat veel soorten zich in scholen ophouden in vrij water en zich daar niet met een schepnet laten verrassen. Alleen vissoorten die graag tussen de vegetatie blijven, zogeheten limnofiele soorten, kunnen met een schepnet worden verschalkt. Dit zijn stekelbaarsjes, kleine modderkruiper, zeelt, jonge snoek, kroeskarper, jonge baars en bittervoorn. Vissen van open water zoals voorns en brasem kunnen eigenlijk alleen in hun eerste levensjaar (broed) worden gevangen en zelfs dat vergt al het nodige geduld. Het inventariseren van vissen met een schepnet geeft dus een vertekend beeld van de visstand, omdat grotere vissen niet gevangen worden en open water geen resultaat oplevert terwijl daar wel van alles rondzwemt. Daar staat tegenover dat de gegevens over limnofiele vissoorten en visbroed nu juist ecologisch de meest interessante informatie opleveren. De volgende soorten werden tijdens de visseninventarisatie vastgesteld:
    Blankvoorn Rutilus rutilus

    De blankvoorn is verspreid aangetroffen en komt zeer waarschijnlijk in alle bredere wateren voor. Met uitzondering van de sloot parallel aan de Waterlinieweg is hij in smalle sloten weinig aangetroffen. Het broed zoekt vooral met waterplanten begroeide oeverzones op.

    Ruisvoorn Scardinius erythropthalamus

    De ruisvoorn heeft volgens de kaart een iets kleinere verspreiding als de blankvoorn. Zo is er bijvoorbeeld geen broed waargenomen in het Inundatiekanaal terwijl daar wel op een paar locaties broed van blankvoorn, samen met broed van brasem/kolblei, is gevangen. Wellicht berust dit op toeval, al is bekend dat de ruisvoorn wat kritischer is ten aanzien van zijn leefomgeving en meer begroeiing nodig heeft. De soort staat te boek als limnofiel, maar komt desondanks ook vaak voor in schaars begroeide wateren.

    Brasem Abramis brama en Kolblei Blicca bjoerkna

    Deze soorten zijn samengenomen omdat de juvenielen niet van elkaar zijn te onderscheiden. Waarnemingen van adulten (een dode en een levende) leken brasems te betreffen. De brasem is ook het meest algemeen van de twee en komt ongetwijfeld in Lunetten voor. Over de aanwezigheid van de kolblei is hier geen uitsluitsel te geven. De waarnemingen van broed zijn duidelijk gerelateerd aan bredere wateren zoals het Inundatiekanaal. De waarneming in hok 138,1-452,7 is wel van een smalle sloot maar deze staat in verbinding met de Oud-Wulverbroekerwetering.

    Zeelt Tinca tinca

    De zeelt is alleen in de groene randen van Lunetten in rijk begroeide wateren aangetroffen. De meeste waarnemingen betreft juveniele dieren van 2002 en 2001. In dezelfde sloten zijn ook enkele subadulten gevangen en er is ťťnmaal een groot exemplaar gezien. De volwassen dieren zullen zich waarschijnlijk in de grotere wateren ophouden en trekken de smalle sloten op om te paaien. De jonge zeelten leven vervolgens enige jaren in de sloten waar ze zijn geboren. De zeelt heeft een sterkere binding met een dichte watervegetatie dan de ruisvoorn. Hoewel de vis op redelijk wat plaatsen is gevonden, betrof het meestal slechts 1 exemplaar en bedroeg de grootste vangst 3 stuks. Hoewel de zeelt nooit in grote aantallen wordt gevangen, is hij blijkbaar niet echt talrijk in Lunetten.

    Kleine modderkruiper Cobitis taenia

    De kleine modderkruiper is verspreid in de randen van Lunetten aangetroffen. Met name de sloot parallel aan de Waterlinieweg bleek een goede vindplaats. De kleine modderkruiper is partieel rheofiel (stroomminnend) en dat komt in de vindplaatsen ook naar voren. In de genoemde sloot staat duidelijk stroming en dat geldt ook voor de plek tussen de stuwen en voor de beide locaties in het noordelijk deel van De Koppel. Naast 'stroomsloten' is de kleine modderkruiper gevangen in oeverzones van grotere wateren. In de sloten van De Koppel-oost is hij niet aangetroffen. Vermoedelijk is houdt de soort minder van dikke modderlagen dan zijn naam doet vermoeden.

    Tiendoornige stekelbaars Pungitus pungitus

    De soort is alleen aangetroffen in het oostelijk deel van De Koppel in smalle en begroeide sloten. Een verklaring daarvoor is lastig te geven. Wat wel opvalt, is dat in de wateren waar tiendoorns zijn gevangen zo goed als geen andere vissen voorkomen. Wellicht wordt het visje beconcurreerd of zelfs gepredeerd door andere vissoorten en mijdt het daarom grotere wateren.

    Snoek Esox lucius

    Jonge snoekjes zijn verspreid door het hele gebied gevangen in oeverzones van grotere wateren en in rijkbegroeide smalle sloten. Mogelijk fungeren alle wateren waar nu snoekjes zijn gevangen als paaiplaats, maar het zou ook kunnen zijn dat deze dieren zich al over enige afstand hebben verspreid. Het zou interessant zijn om in april-begin mei (snoek paait erg vroeg) de piepjonge snoekjes te inventariseren en zodoende de paaiplaatsen in beeld te brengen. In ieder geval blijkt de snoek in Lunetten algemeen aanwezig en zich op meerdere plaatsen voort te planten. Aangezien de snoek wordt beschouwd als essentieel onderdeel van een gezonde visstand (predatie van zwakke dieren), is dat dus een verheugend gegeven.

    Kroeskarper Carassius carassius

    Het voorkomen in Lunetten van de kroeskarper is vanuit natuurperspectief het meest belangrijk. De vis staat op de Rode Lijst in de categorie kwetsbaar. Het kerngebied is de brede watergang ten zuiden van de volkstuinen. Deze is dichtbegroeid met hoornblad en heeft ondiepe oeverzones waar plaatselijk zelfs verlanding plaatsvindt. Ook zijn twee kroeskarpertjes gevangen in een sloot tussen de volkstuinen en het is aannemelijk dat ze in al deze sloten voorkomen. De vangsten betroffen alle jonge dieren tot naar schatting 3 jaar oud. In hok 137,10-452,1 zijn twee exemplaren van 1,5 cm gevangen die bevestigden dat dit water als voortplantingswater wordt gebruikt.

    Aal Anguila anguila

    De aal staat eveneens op de Rode Lijst in verband met zijn dramatische achteruitgang. Dit heeft echter niet heel veel te maken met de situatie in Nederland en de paling is dan ook geen indicator van ecologisch waardevolle wateren. Toch is het altijd een leuke verrassing er eentje te vangen. De drie exemplaren waren ca. 15 cm lang en hielden zich op in warme, algenrijke oeverzones van grotere wateren in De Koppel-zuid.

    Baars Perca fluviatilis

    De baars is een algemene vis van uiteenlopende watertypen. Jonge Baarsjes houden zich graag schuil onder drijvende waterplanten of overhangende oevers en zijn daar met het schepnet te verrassen. De vangsten zijn in bredere wateren gedaan. Gezien de vrij kleine vangkans en de geringe eisen die de soort aan het water stelt, kan worden aangenomen dat de baars in alle bredere wateren voorkomt.

Volgens opgave van de Algemene Utrechtse Hengelaars Vereniging komen in de wateren van Lunetten naast de bovenstaande soorten ook karper Ciprinus carpio en snoekbaars Stizostedion lucioperca voor.

De wateren van Lunetten herbergen een redelijke visstand, maar zoals ook al naar voren kwam uit de viswatertypering (zie paragraaf 4.3.2) is verbetering mogelijk. Factoren met een negatieve invloed op de ontwikkeling van de visstand zijn onder andere de zuurstofarmoede en het met name in de zomerperiode lokaal zeer lage waterpeil. Dit is vooral een gevolg van het jarenlang achterwege blijven van noodzakelijke baggerwerkzaamheden. Het ongedaan maken van dit achterstallig onderhoud kan de situatie in gunstige zin beÔnvloeden en negatieve trends, zoals de vermoedelijke afname van de ruisvoorn, een aanwijzing voor een achteruitgang van de watermilieus (schriftelijke med. K.M. Verweij), te niet doen.

Hoewel dit niet tot uiting komt in de verspreiding van de verschillende vissoorten is het watersysteem in Lunetten geÔsoleerd en gecompartimenteerd door de aanwezigheid van duikers, stuwen en dammen. De mogelijkheden voor uitwisseling en migratie zijn voor vissen dan ook beperkt en dit kan op termijn tot problemen leiden. Het opheffen van met name de isolatie is evenwel niet zo eenvoudig, omdat rekening dient te worden gehouden met verschillen in waterkwaliteit (inlaten van water van mindere kwaliteit).

5.4.5 insecten

dagvlinders

Tijdens de inventarisaties zijn in Lunetten de volgende 15 soorten dagvlinders waargenomen:
ZwartsprietdikkopjeThymelicus lineola
Groot dikkopjeOchlodes venata
Groot koolwitjePieris brassicae
Klein koolwitjePieris rapae
Klein geaderd witjePieris napi
CitroenvlinderGonepteryx rhamni
BoomblauwtjeCelastrina argiolus
IcarusblauwtjePolyommatus icarus
DagpauwoogInachis io
DistelvlinderVanessa cardui
AtalantaVanessa atalanta
Kleine vosAglais urticae
Gehakkelde aureliaPolygonia c-album
LandkaartjeAraschnia levana
ArgusvlinderLasiommata megera
Alle dagvlinders die in de wijk zijn vastgesteld, komen in Nederland algemeen voor. Van deze aangetroffen soorten staan groot koolwitje, klein koolwitje, klein geaderd witje, citroenvlinder, dagpauwoog, distelvlinder, atalanta, kleine vos, gehakkelde aurelia en landkaartje te boek als zwervers of trekkers waarvan de volwassen vlinders in principe overal kunnen worden waargenomen. Deze soorten kunnen ten dele ook veelvuldig worden gezien in stedelijk gebied, mits er maar geschikte nectarbronnen aanwezig zijn. Voor het afzetten van hun eieren zijn ook deze soorten tot op zekere hoogte afhankelijk van bosranden, struwelen, veldzomen en ruigere vegetaties waar hun waardplanten groeien (Bink 1992). De overige vijf soorten zijn meer plaatsgebonden en stellen wat meer eisen aan hun omgeving.

oud, afgevlogen exemplaar van het icarusblauwtje op een verdorde aar van glanshaver

Behalve naar de verspreiding is er in een drietal deelgebieden, Beatrixpark, De Koppel-zuid, De Koppel-oost, ook gekeken naar de aantallen waarin de verschillende soorten voorkomen. Hiertoe zijn drie routes uitgezet (zie bijlage Werkwijze). In tabel 3 zijn de resultaten van deze kwalitatieve inventarisatie weergegeven. De waargenomen aantallen zijn slechts een steekproef van de werkelijk aanwezige aantallen en geven niet meer dan een indicatie van de omvang van de populaties. Op grond van deze steekproef is het moeilijk uitspraken te doen over de levensvatbaarheid van de populaties. Om daar iets over te kunnen zeggen, is mede gezien de afhankelijkheid van vlinders van onder andere de weersomstandigheden in de vliegtijd, een onderzoek gewenst dat een reeks van jaren beslaat. (NB. In de literatuur wordt ervan uitgegaan dat bij diersoorten die sterk worden beÔnvloed door het milieu (onder andere door het weer), zoals insecten, pas sprake is van een levensvatbare populatie als deze Ė afhankelijk van de soort Ė enkele honderden tot duizenden reproductieve wijfjes omvat (van Dorp et al. 1999)).

Tabel 3. Aantal getelde dagvlinders per route per bezoek
Het is aannemelijk dat het voortbestaan van de zwervende en trekkende soorten, ondanks de vele barriŤres waardoor Lunetten omringd is, niet in het geding is. Ook de populaties van het zwartsprietdikkopje en het icarusblauwtje lijken een levensvatbare omvang te hebben, ten minste als de verschillende groengebieden van de wijk als ťťn geheel worden gezien. Voor het behoud van deze soorten is de instandhouding en zo mogelijk versterking van de onderlinge samenhang tussen de groengebieden (verbindingen) dan ook van belang. De aantallen van het boomblauwtje zijn laag, maar dat is overal waar deze vlinder vliegt het geval. Vooralsnog lijkt de blijvende aanwezigheid van deze soort in Lunetten niet in het gedrang te zijn.

De aantallen van het groot dikkopje en de argusvlinder zijn zeer laag; de eerste soort is op de routetellingen zelfs in het geheel niet waargenomen. Het is twijfelachtig of er in Lunetten van deze soorten wel populaties aanwezig zijn, of dat de waargenomen individuen van elders afkomstige zwervers zijn. Mocht er sprake zijn van populaties, dan zijn deze uiterst klein en dus bedreigd.

Drie soorten die op grond van het aanwezige biotoop te verwachten zijn, zijn in Lunetten niet waargenomen. Het gaat hier om de kleine vuurvlinder, een soort van (droge) graslanden; het bruin zandoogje, een soort van struwelen en bosranden; en het hooibeestje, een soort van (droge) graslanden. Er zijn geen harde conclusies te trekken met betrekking tot de afwezigheid van deze soorten, omdat dit kan berusten op toeval.

Wel is het zo dat op de graslanden in de wijk een (vrij uniform) maaibeheer van toepassing is. Bink (1992) wijst erop dat veel graslandvlinders gebaat zijn bij veel structuur (afwisseling tussen hogere en lagere stukken, jonge en overjarige vegetaties). Deze structuurrijkdom kan gerealiseerd worden door meer variatie aan te brengen in het maaibeheer, bijvoorbeeld door bepaalde stukken eens in de twee jaar te maaien. Dit komt niet alleen ten goede aan graslandvlinders maar ook andere diergroepen en aan de vegetatie. De waarschijnlijke afwezigheid van het hooibeestje duidt volgens Bink (1992) in ieder geval op een situatie die voor graslandvlinders niet optimaal is.

waterjuffers en libellen

Tijdens de inventarisaties zijn in Lunetten de volgende 19 soorten libellen waargenomen:
WeidebeekjufferCalopteryx splendens
HoutpantserjufferLestes viridis
AzuurwaterjufferCoenagrion puella
Variabele waterjufferCoenagrion pulchellum
WatersnuffelEnallagma cyathigerum
LantaarntjeIschnura elegans
Grote roodoogjufferErythromma najas
Kleine roodoogjufferEyrthromma viridulum
VuurjufferPyrrhosoma nymphula
PaardenbijterAeshna mixta
Bruine glazenmakerAeshna grandis
Vroege glazenmakerAeshna isosceles
GlassnijderBrachytron pratense
Grote keizerlibelAnax imperator
SmaragdlibelCordulia aenea
Bruine korenboutLibellula fulva
Gewone oeverlibelOrthetrum cancellatum
Bloedrode heidelibelSympetrum sanguineum
Bruin-/steenrode heidelibel Sympetrum vulgatum/striolatum
De waargenomen soorten zijn vrijwel alle soorten die algemeen voorkomen in matig voedselarme tot voedselrijke, zwak zure tot basische, stilstaande tot zwak stromende wateren. Waterjuffers en libellen zijn mobiele soorten waarvan de grotere soorten over flinke afstanden kunnen zwerven. Maar ook van de kleinere, tere juffers is waargenomen dat ze met behulp van de luchtstromingen grote afstanden kunnen overbruggen. Deze mobiliteit maakt het lastig harde conclusies te trekken aangaande de ecologische betekenis van het voorkomen van de verschillende soorten. Daarvoor is in feite een uitgebreid meerjarig onderzoek naar de voortplanting van de diverse soorten vereist.

Er kan echter vanuit gegaan worden dat in ieder geval de meeste kleinere soorten (waterjuffers) zich ook daadwerkelijk in de wateren van Lunetten voortplanten en dat deze voor de grotere soorten, zo die zich er niet ook voortplanten, in ieder geval van belang zijn als foerageergebied.

Om een indruk te krijgen van de aantallen van de verschillende soorten is een drietal routes gelopen waarlangs de waargenomen soorten geteld zijn. Een overzicht van de resultaten van deze routetellingen zijn gegeven in bijlage 7.

In Lunetten zijn drie soorten vastgesteld die op de Rode Lijst (Wasscher 1999) voorkomen, te weten vroege glazenmaker, glassnijder en bruine korenbout, en die bij een inventarisatie in 1997 ook al werden waargenomen.

  1. De vroege glazenmaker Aeshna isosceles legt buiten de laagveengebieden een voorkeur aan de dag voor matig voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie (Dijkstra et al. 2002). Van deze glazenmaker is bekend dat die over grote afstanden kan zwerven. In Lunetten is deze soort in juni gezien bij Lunet-4.

  2. De glassnijder Brachytron pratense komt verspreid over het gehele land voor waarbij de grootste aantallen worden vastgesteld in laagveenmoerassen (Dijkstra et al. 2002). De soort heeft een voorkeur voor matig voedselrijke wateren met een hoge structuurrijke oevervegetatie.

  3. figuur 20: verspreiding
    bruine korenbout
    De bruine korenbout Libellula fulva is in Nederland vrij zeldzaam en komt verspreid voor in het oosten van het land en in de Vechtstreek (Dijkstra et al. 2002). De soort heeft een voorkeur voor matig voedselrijke tot voedselrijke plassen en kanalen met een rijke oevervegetatie die niet te groot of breed zijn en enigszins beschut liggen (Dijkstra et al. 2002). In Lunetten is de soort aangetroffen bij de beide Lunetten, langs het Inundatiekanaal en in het zuidelijk deel van park De Koppel (figuur 20).
De waterrijke wijk Lunetten herbergt een gevarieerde libellenfauna, die zich bij een gelijkblijvende of verbeterde waterkwaliteit, mede gezien de mobiliteit van veel soorten, wel zal kunnen handhaven.

Voor deze diergroep, waarvan de larven op de bodem van de wateren leven, is het van belang dat de noodzakelijke baggerwerkzaamheden gespreid in tijd en ruimte worden uitgevoerd.

De gewone oeverlibel is ook in Lunetten een gewone verschijning